Archive for 28 december, 2015

Publiek loopt weg bij Willis Earl Beal.

WILLIS EARL BEAL / MYLES MANLEY

16 december 2015, Bitterzoet Amsterdam

Myles Manley staat op het podium met een gitaar en een ritmebox en vertolkt met een wat afgeknepen stem zijn folksongs. De meeste liedjes van Manley klinken inwisselbaar en wat saai. Na vijfenveertig lange minuten is de afsluiter ‘I’m in Love with Myself’. De Ier meldt de verbaasde bezoekers dat het een true story is. Het applaus na afloop van het nummer is minimaal.

Na enkele minuten betreedt Willis Earl Beal het podium. “This is the church of nothing,” zo vertelt hij tot verbazing van de aanwezigen, “and in this church are two rules. Rule number one is: no clapping between the songs. I like the gig as awkward as possible. Rule number two says that the songs are boring. If you want to go to sleep, you’re welcome.” ‘Flying So Low’ is direct daarna een van de bluesy soundscapenummers van het dit jaar verschenen Nocturnes. De Amerikaan zingt op ingehouden en bijna intieme wijze de tekst. Veel van de liedjes zijn geschreven nadat Beal enkele jaren geleden is afgewezen voor een baan in het leger. Hij raakt in een depressie en schrijft honderden liedjes. Na het eerste nummer wordt er niet geklapt, maar Beal kan het niet laten zijn enthousiasme te uiten. Hij schreeuwt a little excited te zijn. Intussen klinken de openingsakkoorden van ‘Under You’. Ook na het tweede nummer is het publiek stil. Pas na het derde nummer, ‘Like a Box’, klinkt er een klein applaus. “No clapping“, meldt Beal streng.

‘Why Try to Change Me Now’ is een nummer dat in 1959 door Joseph Allan McCarthy is geschreven. Frank Sinatra neemt het op voor No One Cares, Bob Dylan covert het in 2014 voor Shadows in the Night. Beal raadt de aanwezigen aan het album van Dylan te kopen en zingt op indrukwekkende manier de eerste zinnen van het nummer. In het vierde couplet begint hij woorden in de microfoon te schreeuwen en stopt. Hij vertelt een nummer van Hat van The Blue Nile niet te zullen zingen en improviseert wat regels met de woorden lonesome tears en I don’t want to be afraid.

Na bijna drie kwartier vertelt Beal moeite te hebben met het onthouden van de teksten van zijn nummers. Toch slaagt hij erin een redelijk coherente versie van ’12 Midnight’ te spelen, het afsluitende nummer van Nocturnes. De zaal is intussen half leeggelopen. “I smoked some weed. Not because I’m in Amsterdam, but because I have to feel myself“, vertelt Beal. Hij zegt op een prettige manier afscheid te willen nemen en dankbaar te zijn dat de mensen een kaartje hebben gekocht. “But I will dance on your paycheck“, grinnikt hij en hij nodigt de mensen uit om aan de merchandisetafel inkopen te doen. Hij zingt a capella wat onverstaanbare woorden, noemt Myles Manley in zijn tekst en lijkt geen punt te kunnen zetten achter het optreden. “Fuck Pittsburg“, zijn de laatste woorden.

Het is het einde van een bizar optreden. In tegenstelling tot op de plaat weet Beal op het podium nauwelijks intimiteit op te roepen en is de expressie vaak schreeuwerig en verre van ingehouden. De combinatie Manley en Beal is wonderlijk. De twee muzikanten slagen er vooral in het publiek te vervelen.

Memorabele improvisaties vanuit een warme huiskamer.

SON LITTLE

11 december 2015, Paradiso, Amsterdam

Beeld: Niels Vinck

De drie muzikanten van Son Little lopen het donkere podium op. Er is spaarzaam applaus uit de zaal. Er wordt even gestemd en de elektronica wordt aangezet. ‘The River’ opent en er wordt geen haast gemaakt tijdens het intro van het nummer. Son Little speelt laidback blues. Direct is duidelijk dat het trio op het podium niet het dit jaar verschenen debuut Son Little zal kopiëren. De dynamiek van het nummer mag verschillen en subtiliteiten van de uitvoering in de studio mogen verloren gaan. De interactie tussen de ritmesectie en gitarist Aaron Earl Livingston geeft het nummer een meerwaarde. In ‘Doctor’s In’ en ‘Go Blue Blood Red’ improviseert het trio al tijdens het intro en zijn de nummers pas bij het eerste refrein te herkennen.

Livingston maakt dit jaar naam met zijn muziek en produceerde de ep Your Good Fortune van Mavis Staples. Zijn gitaarspel drukt een belangrijk stempel op de muziek van Son Little. Elke solo die hij speelt lijkt ter plekke te ontstaan. Hij sluit de ogen en laat zijn vingers bewegen over de snaren. De communicatie tussen het publiek en de wat verlegen Amerikaan is in eerste instantie minimaal. Bij het uittrekken van zijn trui begint er iemand te fluiten. “It’s hot“, meldt hij bijna verontschuldigend. Van het podium wordt een huiskamer gemaakt. Het publiek luistert en de band speelt. ‘Lay Down’ wordt ingezet. Livingston zingt de openingsregel “Baby won’t you lay” en het publiek reageert direct en zingt “Lay down.” De groep valt stil en is verbaasd over zoveel reactie. De interactie met het publiek bij de tweede poging klinkt nog wat ongemakkelijk, maar er is een glimlach van de gezichten van de muzikanten te lezen.

Op een van de luidsprekers staat een plastic bekertje. Als Livingston tijdens een solo zijn ogen sluit, doet een toeschouwer hetzelfde. De gitaarklanken nodigen uit om weg te dromen. Via de trap loopt de bezoeker naar de kelder van de poptempel. De deur van een kleedkamer zwaait open. De koelkast staat op een kier. Een aangesproken fles water staat in de deur. Op de tafel staan twee bekertjes en een overlopende asbak. Een aangebroken pakje sigaretten ligt geopend op een kastje. Het is de kleedkamer van een bandje, drie muzikanten die blij zijn dat ze een podium krijgen om te spelen.

Veel te snel is het tijd voor de toegiften. ‘Your Love Will Blow Me Away’ wordt ingezet. Het was voor Son Little het nummer dat werd opgepikt door muziekbladen en recensies kreeg die meer dan lovend waren. ‘Doctor’s In’ volgt en is een poppy, bijna springerig nummer. Tot besluit vertelt Livingston dat hij twee mensen heeft gesproken, die hem hebben verteld over de optredens van The Rolling Stones in Paradiso in 1995. Als laatste nummer speelt hij een aubade aan enkele van zijn helden. ‘Play with Fire’ krijgt een rafelige uitvoering en is de juiste afsluiter van een memorabel optreden.

 

Ideale voorganger in de Amstelkerk.

ROBERT FORSTER

09 december 2015, Amstelkerk, Amsterdam

In de Amsterdamse Amstelkerk zijn liedjes van Tom Waits te horen. Het publiek zoekt na binnenkomst een stoel en maakt een praatje. Vanachter het gordijn stapt Robert Forster naar voren, plugt zijn gitaar in en meldt dat het ‘an absolute pleasure is om hier te spelen. ‘Rock ‘n’ Roll Friend’ is de opener, een nummer van Warm Nights (1996). Hij is op tournee om het in september verschenen Songs to Play te promoten. Hij heeft na zijn carrière in de vorige eeuw met The Go-Betweens inmiddels zes langspelers onder eigen naam uitgebracht.

Forster loopt even voor het publiek langs. Hij luistert naar de boxen, checkt het geluid van zijn gitaar, vraagt om wat meer geluid uit de monitors voor zijn voeten en is tevreden. “This is rock and roll“, zegt hij met een glimlach en zet ‘A Poet Walks’ in. De Australiër schrijft persoonlijke popliedjes en stopt graag wat onderkoelde humor in de verhalende teksten. Hij vertelt eerder vandaag ingevlogen te zijn vanuit Londen met een rugzakje vol songs to play. “This is not the right moment to tell you and you don’t have to buy anything“, benadrukt hij geschrokken. Alsof hij wil zeggen niet op zoek te zijn naar de portemonnee van de aanwezigen, maar graag een persoonlijke ontmoeting wil.

Na ‘I’m Allright’, een nummer van 16 Lovers Lane (1988) van The Go-Betweens stemt Forster even. Op zijn gitaar heeft hij een clip-on tuner. Tijdens het stemmen vertelt hij verontschuldigend: “I hate this. And the guitar always sounds the same. I want the guitar a little bit in tune.” Forster heeft tijdens de carrière van The Go-Betweens een aantal jaren in Londen gewoond. Vele jaren later schreef hij een nummer over de muzikant die hij toen was. Openingsnummer ‘Learn to Burn’ van het laatste album volgt. Na zestien songs meldt Forster: “This is where I normally go off. Let’s compromise.” Hij geeft zijn gitaar aan een van de mensen op de voorste rij en verdwijnt even achter een gordijn. Het publiek applaudisseert en Forster is per direct terug, buigt, glimlacht breed en pakt zijn gitaar. “It’s very dark there. There was no one, it was just me.”

‘The House That Jack Kerouac Built’ sluit als derde toegift een warm, sympathiek en goed optreden af. Voor het laatste couplet en refrein vraagt Forster het publiek mee te neuriën. Hij begeleidt spaarzaam op gitaar en vraagt het publiek ‘a little more‘. Hij stopt met gitaar spelen. De bezoekers neuriën en de muzikant zingt, samen sluiten ze het concert in de Amstelkerk af. “Thank you all for a lovely evening. Great, thank you“, zijn Forsters laatste woorden.

Op de merchandisetafel ligt een stapel cd’s. Forster heeft alleen Songs to Play meegenomen. Na een handtekening en een persoonlijke vraag geeft hij iedereen een warme hand.

Guy Garvey zorgt voor groots muzikaal vermaak.

GUY GARVEY / STEVE MASON

29 november 2015, Paradiso, Amsterdam

Een stoel, een tafel, een gitaar en een microfoon. Meer heeft Steve Mason niet nodig om de grote zaal van Paradiso te vermaken. Mason is vooral bekend van zijn deelname aan Beta Band. Hij schreef mee aan zo ongeveer alle composities van deze Engelse groep. Beta Band maakte tot 2004 experimentele muziek. Solo mijdt Mason progressieve muziek en hij warmt de bezoekers op met een half uur rustige folkrock.

De lichten in Paradiso worden gedimd, zachte muziek maakt van de grote zaal een nachtclub. Op bas en drums wordt ‘Three Bells’ geopend met een uitgesponnen, jazzy intro. Muzikanten komen het podium op en gespen een gitaar om, pakken de drumsticks of zetten het blaasinstrument aan de mond. Applaus klinkt waarna de groep het nummer afmaakt en de toon zet voor een prachtige avond.

Guy Garvey is bij velen bekend als de zanger van Elbow. Courting the Squall is het soloalbum dat hij al tien jaar wilde maken. Het album werd gemaakt in een periode dat Elbow vrijaf had. In Paradiso neemt Garvey de tijd om te vertellen hoe het met de overige leden van zijn groep gaat. “Is anything wrong with Elbow? No, they are all fine“, is de boodschap. Zo wordt elke pauze gebruikt om de aanwezigen persoonlijk toe te spreken. Garvey is een vermakelijk en uitstekend gastheer.

Na een optreden in Berlijn, een dag eerder, is het concert in Paradiso het tweede optreden van de groep. In ‘Harder Edges’ is Garvey tijdens het eerste couplet de tekst kwijt. Binnen twintig seconden krijgt hij een mobiel uit het publiek aangereikt met op het scherm de tekst. Voor ‘Yesterday’ is er eerst een amusant verhaal over seks en de katholieke opvoeding. Na ruim een half uur is er een intermezzo. Op het podium blijven Garvey en Jobson achter. ‘Just Cause I’m Dead’ en ‘Holiday’ zijn twee composities van Jobson. Tot vermaak van het publiek zingen de twee de humoristische nummers van de gitarist. ‘Belly of the Whale’ en ‘Broken Bottle and Chandeliers’ sluiten het optreden af. Voor de laatste song vraagt Garvey het publiek mee te neuriën. Het publiek doet niet alleen vocaal mee, er wordt ook ritmisch met de vingers geknipt. De groep en het publiek beëindigen samen het laatste nummer. Gastheer Garvey wil dat iedereen meedoet aan het kippenvelmoment.

Na langdurig applaus begint het publiek weer te zingen, er wordt opnieuw met de vingers geknipt en de groep krijgt op een fantastische manier de vraag om door te gaan. ‘I Don’t Want to Set the World on Fire’, een nummer van The Ink Spots uit 1941, is de eerste toegift. Garvey staat met twee gitaristen op het podium en ze brengen de cover op een vermakelijke manier. “We’ve played them all“, zegt Garvey daarna. Dus wordt voor de tweede maal ‘Angela’s Eyes’ ingezet. De openingstrack van het album is de perfecte afsluiter van een avond groots muzikaal vermaak.

Vermaak zonder hoogtepunten bij Everything Everything.

EVERYTHING EVERYTHING / GLINTS

27 november 2015, De Melkweg, Amsterdam

Beeld: Niels Vinck

Jan Lemmens is een muzikant uit Antwerpen met een Britse achtergrond. Voor Glints maakt hij van beats en woorden muziek die het stempel triphop zou kunnen dragen. Op het podium van De Melkweg staan vier muzikanten, maar het binnendruppelende publiek luistert toch vooral naar opnames uit de studio. Glints moet aan de slag om op het podium verder te komen dan het draaien aan knoppen en het indrukken van de juiste toetsen. De muziek van de Belgen verdient een betere presentatie.

De muziek van Everything Everything [foto’s] is energiek, springerig en aanstekelijk. De nummers krijgen vaak het etiket artpop en Get to Heaven is het dit jaar verschenen derde album. De recensies zijn lovend en de zalen in de diverse Europese landen zijn uitverkocht.

Het intro van het optreden is veelbelovend. De lichtshow zet het podium en de zaal in een lila licht. Binnen dertig seconden wandelen de vijf muzikanten het podium op. Het is verrassend dat de groep de opgebouwde spanning voor een optreden zo gemakkelijk laat verdwijnen. Opener ‘To The Blade’ brengt de zaal daarna in beweging. Zanger Jonathan Higgs is een professional. Na elk nummer heeft hij een vraag of complimenteert hij het publiek. In alle gevallen is de respons lawaai vanuit de zaal en wat handen in de lucht. Bij ‘Kemosabe’, het derde nummer van de set, beginnen de bezoekers spontaan te klappen. De interactie tussen de groep en het publiek lijkt optimaal.

Na vijf nummers is ook duidelijk dat de muzikanten van Everything Everything niet van improviseren houden. De nummers op de planken duren exact zo lang als de albumversies. Bij ‘Regret’ wordt er om vocale steun van het publiek gevraagd. Na afloop complimenteert de band het publiek. ‘Warm Healer’, ‘Radiant’ en ‘Zero Pharao’ klinken daarna inwisselbaar. Everything Everything is op het podium een professionele muziekmachine die de aanwezigen precies geeft wat het vraagt. Jonathan Higgs noemt na ‘Cough Cough’ de bezoekers in De Melkweg het beste publiek van de tournee. En ergens in de hoofden van de wat kritischer luisterende aanwezigen gaat er een bel rinkelen. Het zou zomaar kunnen dat morgenavond het dan aanwezige publiek net zo “fucking awesome” is.

Er is niet veel mis met het optreden van Everything Everything. Het vijftal geeft het publiek een leuke muzikale start van een avondje uit, maar de automatische piloot van de groep gaat wel heel snel aan. Zonder veel inspiratie en met bijzonder weinig transpiratie werken de Engelsen zich door zeventien nummers heen. Ook afsluiter ‘Distant Past’ heeft geen apotheose, geen lekker heftig slot. Higgs en zijn mannen zwaaien even naar het publiek en zijn weg.

Patrick Watson speelt tussen de schuifdeuren en in de concertzaal.

PATRICK WATSON / LAST EX

25 november 2015, Paradiso, Amsterdam

Vijftien minuten voor het optreden stapt Patrick Watson het podium op. Hij neemt plaats achter de piano en slaat akkoorden aan. Minutenlang doet hij daarna stemoefeningen. Hij checkt daarna de elektronica die bovenop de piano staat. Hij draait aan wat knoppen, blijft in de microfoon zingen en steekt een duim op naar de technicus. Watson pakt daarna zijn gitaar. Watson is zeker vijf minuten bezig en de oplettende bezoeker krijgt een fantastisch inkijkje bij de voorbereiding van de Canadees.

Voorprogramma Last Ex begint het optreden voor een bijna lege zaal. Het duo uit Montreal heeft net het debuut Last Ex afgeleverd. De instrumentele nummers lopen in elkaar over. De muziek van de groep heeft traag bewegende melodielijnen, klinkt op elk moment spannend en komt nergens tot een grote uitbarsting. Last Ex speelt ruim dertig minuten ingehouden popmuziek, laat de surfrock in ‘Resurrection Drive Part 1′ slippen en vertraagt door de solo’s op gitaar in ‘It’s Not Chris’. Last Ex speelt een mooi concert voor een vollopende zaal.

Patrick Watson opent met het titelnummer van zijn laatste langspeler Love Songs for Robots. Na een lang intro pakt de band het nummer op en brengt het een paar minuten later naar een fraaie apotheose. ‘Good Morning Mister Wolf’ volgt en betekent meer prachtig klinkende, perfect uitgebalanceerde muziek. Watson is in staat om bij elk nummer Paradiso van grootte te laten veranderen. Op het ene moment staan de bezoekers bij de schuifdeuren in zo maar een huis in het centrum van Amsterdam te luisteren naar het geniale buurjongetje dat met een aantal vriendjes voor de muziek zorgt. Een nummer later is Paradiso een grote concertzaal, waarin de pianist met ondersteuning van zijn groep het publiek met klassiek klinkende popmuziek in vervoering brengt.
Bij ‘Into Giants’ is er humor. Er is plezier op het podium en in de zaal. Alle muzikanten staan midden op het podium achter een microfoon. Watson zingt, de muzikanten moeten van plek verwisselen om hoorbaar te zijn en al die wisselingen worden met plezier en veel vaart gedaan. Veel te snel kondigt Watson het laatste nummer ‘Turn into the Noise’ aan. Na vier minuten neemt de groep voor even afscheid.
Het publiek wil meer en laat dat met een ovationeel applaus weten. Watson en de groep komen terug voor toegiften. ‘Luscious Life’ en ‘Know That You Know’ geven het concert extra glans. Na ‘Sit down beside Me’ blijft Watson alleen achter op het podium. Hij slaat de eerste akkoorden van ‘Lighthouse’ aan. Het nummer van Adventures in Your Own Backyard (2012) is een perfecte afsluiter. “Won’t you shine a little light in your own backyard”, zingt hij. Het is stil in de zaal, alleen een verloren plastic glas valt op de grond. Op deze manier is Watson die jongen tussen de schuifdeuren én de concertpianist die zalen in vervoering brengt. De combinatie van de stem, de pianomuziek en het spel van de belichting op het podium zorgen voor een onvergetelijke apotheose. Met een grote glimlach neemt Watson afscheid van het publiek in Paradiso. Hij heeft zichtbaar genoten.

Superieure set met lef en liefde.

JOHN GRANT / FUFANU

18 november 2015, De Melkweg, Amsterdam

Fufanu betekent in het IJslands zoveel als verschillende werelden. Hrafnkell Flóki Kaktus Einarsson en Guðlaugur Einarsson uit Reykjavik vonden het een geschikte naam voor een band. De zanger en gitarist hebben intussen vier muzikanten gecharterd. Debuut Few More Days to Go ligt in de winkel en laat een talentvolle rockgroep horen.

Op het podium geeft de groep een verrassend volwassen en overtuigende show. Fufanu is een pompende bas, opzwepende drums, twee raggende gitaren, jengelende toetsen en een zanger die het publiek wil meenemen naar verschillende werelden. Het zestal is jong, enthousiast, experimenteel en heeft veel potentie. Ze zullen zonder enige twijfel terugkeren op de Nederlandse podia.

De Amerikaan John Grant is geen doorsnee singer-songwriter. In zijn popnummers speelt elektronica een belangrijke rol. De Amerikaan maakt balladerock met in elk nummer verschillende spanningsbogen. Hij schrijft muziek met een enorme dynamiek, maar weet ook in elk nummer te ontroeren. De teksten zijn in alle gevallen korte anekdotes of er wordt verhaald over incidenten uit het eigen leven. In 2010 kwam het album Queen of Denmark uit. De Amerikaanse folkrockband Midlake hielp in de studio. Grant verhaalde en musiceerde op het album over zijn alcohol- en drugsverslaving. Daarnaast schreef hij nummers over zijn homoseksualiteit.

Pale Green Ghosts was in 2013 een ander verhaal. De muziek op de release was vooral elektronisch. Recensenten verweten Grant te veel naar de dansvloer te lonken. Op het dit jaar verschenen Grey Tickles, Black Pressure heeft Grant de goede combinatie van verhalende rock en dansmuziek gevonden.

In De Melkweg wordt op het nog lege podium de rookmachine aan het werk gezet. ‘Intro’, het openingsnummer van Grey Tickles, Black Pressure klinkt. Twee stemmen zijn te horen, reageren op elkaar en verdwijnen samen in een put van echo en worden ergens in de diepte vermalen tot onduidelijke geluiden. Het titelnummer van het album wordt daarna ingezet. De dynamiek, de kwaliteit, de ontroering in de teksten en het contact met het publiek is er vanaf de eerste tonen. Zelfs de temperatuur in de zaal is per direct behaaglijk.

Na het eerste nummer belijdt Grant zijn liefde voor het Nederlands. “Goedenavond. Hoe gaat het met jullie?” De antwoorden zijn positief luidruchtig. Daarna komen er ballades, rock- en dansnummers voorbij. Grant en zijn groep spelen een superieure set. Vakmanschap, lef en liefde vullen bijna negentig minuten. ‘Disappointing’ is na elf nummers de afsluiter. Grant en zijn band komen terug voor vier nummers als toegiften. Na ‘Caramel’ neemt Grant in het Nederlands afscheid. “Tot ziens.” Simpel, raak en voor iedereen die aanwezig is een voornemen voor 2016.

Bevrijdende muziek van Ash.

ASH / WE ARE SCIENTISTS

16 november 2015, Paradiso, Amsterdam

De lichten in de zaal zijn al gedoofd als promotor Jan Venema het podium opstapt Hij vertelt dat We Are Scientists na de aanslagen in Parijs niet zullen spelen. Zanger Keith Murray was aanwezig bij het optreden van Eagles of Death Metal in club Bataclan. Vlak voor de schietpartij had hij de zaal verlaten. De ongedeerde maar aangeslagen Murray is na de gewelddadige gebeurtenissen terug naar New York gereisd. Venema vraagt applaus voor Ash en besluit met: “They can’t take away our music.

Ash opent overdonderend. ‘Evil Knievel’ is een pakkende surfrocksong van Kablammo! de laatste langspeler van het trio. Zanger Tim Wheeler heeft er duidelijk zin in vanavond. Het trio uit Noord-Ierland maakt sinds 1992 indierock. Wheeler is verantwoordelijk voor de muziek en de teksten en hij schrijft al die jaren over meisjes, cinema en de sores van het bandleven.

Op het podium van de Oude Zaal zijn die wat eenvoudige teksten welkom. Het enthousiasme van de groep slaat over naar de zaal en veel bezoekers zingen de teksten mee. ‘Kung Fu’ wordt door Wheeler opgedragen aan een kennis die slachtoffer is geworden van de aanslag in Parijs. Het favoriete nummer van deze Raphael krijgt een vlammende uitvoering.

Bij de hit ‘Goldfinger’ – van het album 1977 (1996) – valt op dat de stem van Wheeler niet meer het soepele bereik heeft van tien of vijftien jaar geleden. In de studio worden de registers van zijn stembanden voldoende opgerekt om de jongeman van de vorige eeuw te laten horen, maar op het podium vermijdt Wheeler de hoge uithalen. Op de juiste momenten dempt hij zijn stem om valse noten te vermijden. Als gitarist is Wheeler nog altijd tot veel in staat en wordt hij prima ondersteund door de ritmesectie Mark Hamilton op basgitaar en Rick McMurray achter de drumkit.

‘Girl from Mars’, de eerste grote hit uit 1995, en ‘Burn Baby Burn’ sluiten het concert af. Wheeler pakt na de buigingen de microfoon: “You really want us back! We’ve got something up our sleeves“, meldt hij. Het publiek klapt, schreeuwt en stampt tot bassist Chris Cain van We Are Scientists zijn basgitaar op het podium zet. Het is duidelijk dat er nog een vervolg komt. Het publiek stopt met lawaai maken en wacht in alle rust de gebeurtenissen af. Na vier of vijf minuten wandelen Ash, Cain en Keith Carne, gitarist van We Are Scientists, het podium op. ‘The Great Escape’ en ‘After Hours’ worden overtuigend gespeeld. Wheeler moet voor de teksten spieken van papier. Tot hilariteit van iedereen vraagt hij om wat meer licht op het podium om de woorden beter te kunnen lezen. “If I don’t have the words right, it’s because it’s too dark.” Tot besluit speelt het vijftal ‘Undone – The Sweater Song’ van Weezer. Het is voor de muzikanten en het publiek een extraatje van vijf minuten plezier met een heerlijk hossend refrein. Goede muziek werkt bevrijdend!

Alleen de lichtshow is fantastisch bij The Arcs.

THE ARCS / MARIACHI FLOR DE TOLOACHE

12 november 2015, De Melkweg, Amsterdam
Beeld: Renate Beense

Voorprogramma Mariachi Flor de Toloache speelt muziek die een verlaten straat in Mexico oproept. Duellerende pistoleros stappen door de klapdeurtjes van de saloon. Twee gitaren, een viool en een trompet zorgen voor een spannende melodie. De vier dames van Mariachi Flor de Toloache zijn verantwoordelijk voor deze achtergrondmuziek, de mariachi. De afloop van het duel blijft onbekend en tijdens het derde nummer wordt het einde van het optreden al aangekondigd. Binnen twintig minuten is de Mexicaanse straat schoongeveegd en verlaten. Drie van de vier dames stappen later het podium op om de achtergrondvocalen bij The Arcs te verzorgen.

Na het verschijnen van Turn Blue, de laatste langspeler van The Black Keys, wilde het duo een pauze inlassen. Auerbach ging de studio in om wat opnames te maken en nodigde wat vrienden uit om mee te musiceren. Veertien nummers later was er het album Yours, Dreamily van The Arcs[foto’s]. De groep maakt muziek die in het verlengde ligt van The Black Keys, Dr. John en talloze bluesgiganten. De nummers rieken naar het moeras en roepen beelden op van het arme Amerikaanse zuiden uit de beginjaren van de vorige eeuw.

‘Stay in My Corner’ opent het concert. The Arcs zijn een groep multi-instrumentalisten die per nummer van stoel kunnen wisselen. Op de achtergrond bewegen de drie zangeressen soepel op de muziek en af en toe pakken ze hun instrument erbij. Na vijf of zes nummers is het duidelijk dat het een avond wordt met een goed klinkende band. Tegelijkertijd wordt ook voelbaar dat de temperatuur in de zaal niet echt omhoog gaat. Telkens als een van de groepsleden vraagt om bijval, zijn er wat mensen die klappen, al wordt er zeker niet massaal meegedaan. Na elke song volgt wel applaus, maar het optreden lijkt telkens weer opnieuw te beginnen. De vonk wil maar niet overslaan. Het repertoire van de groep helpt ook niet echt. Op Yours, Dreamily staan geen nummers die euforie oproepen. The Arcs missen een song als ‘Lonely Boy’, de hit van The Black Keys.

Na de reguliere set is er een toegift. Ook tijdens de twee extra gespeelde nummers gebeurt er meer van hetzelfde. Het publiek reageert tijdens ‘Velvet Ditch’ en ‘Like a Ship’ lauw, maar applaudisseert na afloop ovationeel. The Arcs zijn een competente band, de zangeressen van Mariachi Flor de Toloache bewegen enthousiast en zwoel, de lichtshow is fantastisch en desondanks ontbrandt het concert ook tijdens de laatste nummers niet.

Ovationele instemming voor Anti-Flag.

ANTI-FLAG / THE HOMELESS GOSPEL CHOIR / TROPHY EYES / RED CITY RADIO

27 oktober 2015, De Melkweg, Amsterdam

Het is rond zeven uur al gezellig druk in De Melkweg. Op de merchandisingtafel worden de spullen van de optredende artiesten gesorteerd. Bij openingsact The Homeless Gospel Choir ligt er afgezien van twee albums de novelle Remembering Everything. Zanger en enig koorlid Derek Zanetti musiceert en schrijft bevlogen over de misstanden in de wereld en de geneeskrachtige werking van punkrock. Op het podium is de Amerikaan een ontwapenend eerlijke artiest. De intro’s van de protestliedjes zijn humoristisch, relevant en het beluisteren waard. De muzikant verpakt zijn boodschap in gitaarakkoorden en woorden met een glimlach. Hoogtepunt van zijn optreden is het moment dat hij een nummer afbreekt, omdat er in de zaal iemand uit de maat meeklapt. Hij bedankt voor het enthousiasme en ook voor de medewerking.

Trophy Eyes komt vijf minuten na The Homeless Gospel Choir op. Tired Hearts is de titel van het nieuwe album van de punkrockers uit Australië. Zanger John Floreani nodigt de aanwezigen uit het podium te beklimmen: “This is your stage.” Een half uur en vier stagedivers later beëindigt de groep een blamerend optreden. Na elk nummer is er een irritant lange pauze en wordt het publiek schreeuwend gevraagd of het goed gaat. Het duurt vaak langer dan een halve minuut voor een van de groepsleden besluit een volgende song in te zetten. Trophy Eyes verveelt en irriteert.

De buikige zanger Garrett Dale van Red City Radio is door zijn omvang een wat vreemde verschijning binnen de punkgemeenschap. Ook hij vraagt het publiek na elk nummer of het goed gaat. Pas halverwege het optreden lijkt hij een antwoord te horen. De vier Amerikanen hebben onlangs het album Red City Radio uitgebracht. In De Melkweg verzorgen ze een heel aardig optreden. De pompende punkrock verdrijft de verveling en zet bij momenten de zaal in vuur en vlam.

Al meer dan twee decennia vecht het viertal muzikanten van Anti-Flag [foto] tegen onrecht in de wereld. Politieke boodschappen worden verpakt in woorden en muziek. Het in mei 2015 verschenenAmerican Spring is daarvan het vijftien nummers tellende bewijs. In De Melkweg gaan vanaf opener ‘Turncoat’ de vuisten van de bezoekers de lucht in. Gitarist Chris Head en drummer Pat Thetic zijn de drijvende krachten op het podium. Head zorgt voor de voortgang, hij opent bijna elk nummer en bepaalt het tempo. Thetic zit gebeiteld achter zijn drumkit. Hij kijkt omhoog, grimast en lijkt met moeite het hoge tempo te kunnen bijhouden. Het is schijn, want hij ramt de songs venijnig aan elkaar waarbij hij de drie gitaristen perfect ondersteunt. Langzaam verandert zijn grimas in een grote glimlach.

Bij Anti-Flag vertelt elk nummer een verhaal, ook vanavond. Zanger en gitarist Justin Sane kaart het vluchtelingenprobleem in Europa aan. Hij hoopt op een snelle oplossing en complimenteert de punkgemeenschap om de waardevolle inzet bij de dagelijkse gang van zaken. Voor de laatste toegift stapt Thetic achter zijn kit vandaan. Hij vraagt ruimte vóór het podium. Trommels en bekkens verhuizen met hulp van een aantal bezoekers naar de vloer. ‘Drink Drank Punk’ wordt gespeeld met Thetic tussen het publiek. Bassist Chris #2 staat op een deel van het drumstel en schreeuwt de longen uit zijn lijf. Het is een prachtige afsluiter van een concert waarbij Anti-Flag bewijst tussen de fans te staan. Op de vraag van #2 of de ‘motherfuckers‘ in de zaal genoten hebben, is er ovationele instemming van alle aanwezigen.