Archive for 16 september, 2016

KEVIN MORBY & JESS WILLIAMSON

Kevin Morby verwaarloost het publiek bij prima optreden.
29 augustus 2016, Bitterzoet Amsterdam
Beeld: Peter Hageman

In november verschijnt het debuutalbum van Jess Williamson [bovenste foto]. Bij haar eerste optreden in Nederland speelt de Texaanse nummers van twee verschenen ep’s en recent geschreven werk. De Amerikaanse staat alleen op het podium en beroert met haar stem de zaal. Ze begeleidt zichzelf op gitaar en neemt de tijd voor de verhalende nummers. ‘Why Bad’ is een nieuwe song, die meer dan vier minuten duurt en nauwelijks herhalingen kent. In nummers als ‘Blood Song’ en ‘See You’ is de schoonheid verstild. De composities van Williamson zijn geschikt voor een huiskamer of een intieme zaal als Bitterzoet. Williamson is in staat om als voorprogramma een klein halfuur boeiende muziek te spelen. Afwachten of dat ook lukt met een volledig album.

Kevin Morby [overige foto’s] en zijn band hebben twee nummers nodig om hun draai te vinden. Opener ‘Cut Me Down’ wordt wat aarzelend gespeeld en ‘Dorothy’ klinkt te luid en zonder nuance. In ‘Harlem River’, een nummer van Morby’s eerste sololangspeler, vindt de groep het goede geluid. Ruim zes minuten rockt de band swingend langs de oevers van deze rivier. De zaal is in beweging en de band komt op temperatuur. Morby en zijn drie begeleiders zetten ‘All of My Life’ in. Het plafond mag er af vanavond!

Morby is een drukbezet muzikant. Naast zijn werk met The Babies en Woods brengt hij sololangspelers uit. De releases staan vol met knap geschreven folkrock en americananummers. Lou Reed, Bob Dylan en Neil Young zijn gemakkelijke etiketten. Morby is een muzikant die met steeds betere liedjes zijn eigen weg zoekt. ‘Tiny Fires’ is zo’n zacht rockend nieuw nummer dat naadloos in de set past.

De Amerikaan heeft drummer Justin Sullivan, bassist Cyrus Gengras en gitariste Meg Duffy meegebracht. Visueel is er weinig te beleven op het podium. De vier muzikanten hebben een eigen plek en hoewel ze nauwelijks contact met elkaar hebben, vormen ze een prima muzikale machine. Sullivan is zo’n drummer die geen aandacht vraagt, maar elk nummer een solide fundament geeft. Gengras is een bescheiden muzikant die geen noot te veel speelt en daarmee het geluid de juiste lading geeft. Duffy excelleert in een aantal nummers, maar valt verder nauwelijks op. Het oog mag dan wat verwaarloosd worden, het oor wordt prima bediend. ‘I Have Been to the Mountain’ en ‘Singing Saw’, het titelnummer van de laatste langspeler, krijgen voortreffelijke uitvoeringen. Na vijfenveertig minuten speelt Morby solo ‘Black Flowers’, ‘Beautiful Stranger’ en ‘No Place to Fall’, een song van Townes van Zandt. Driemaal een prijsnummer met iets te lange pauzes voor het stemmen. ‘Parade’ en ‘The Ballad of Arlo Jones’ zijn de toegiften met de groep, mooie nummers om een goed concert af te sluiten. Het publiek wil nog geen afscheid nemen, maar de geluidsman zet de muziek in de zaal aan.

Morby krijgt met elk optreden meer mensen op de been. Kritiek op de wat lange stempauzes en de korte toegift is terecht en het logische advies om aan het einde nogmaals terug te komen voor drie of vier nummers is alleen maar een mooi compliment.

Trevor Sensor

De zoon van Bob Dylan en Johnny Rotten.

10 augustus 2016, Tolhuistuin, Amsterdam
Beeld: Peter Hageman

Voor het podium staan tachtig stoelen. Vijftien minuten voor het optreden zitten er zes mensen in de zaal. Iets later dan aangekondigd stapt Trevor Sensor het podium op. Zestig mensen krijgen een nerveus knikje. Een piano, twee gitaren en een microfoon staan tot zijn beschikking. Sensor heeft twee kleine flesjes bier meegenomen. Na opener ‘Another Night at Lamppost Lounge’ vertelt hij een flink deel van de middag te hebben gewandeld. ʺI spent my day walking and drinking beer.ʺ De Amerikaan heeft twee ep’s uitgebracht. Texas Girls and Jesus Christverscheen in maart 2015. Vlak voor de optredens in Europa kwam Starved Nights of Saturday Stars uit.

In een recensie van een optreden in thuisstad Sterling, Illinois schreef een journalist dat de zoon van Bob Dylan en Johnny Rotten op de planken was geklommen. De stem van Sensor klinkt als een kruising van de verhalende Amerikaan en de snerende Engelsman. Daarbij neemt Sensor de tijd voor zijn verhalen en stopt hij veel woorden in zijn teksten. Op het podium zijn dit sterke en aantrekkelijke punten. De stem van Sensor klinkt soms wat scherp, maar vooral helder en zuiver. De verhalen in de teksten gaan vaak over de zelfkant van het leven. Drank, drugs en mensen die vaak het nachtleven opzoeken om ervaringen op te doen, komen aan bod in de nummers. Sensor is pas tweeëntwintig jaren maar lijkt al langer mee te lopen.

De bard speelt americana, folk en country. Hij gooit de muziek in de blender die zijn persoonlijke belevenissen bevat. ‘Starved Nights of Saturday Stars’ is zo’n nummer over een persoonlijke belevenis. Alleen thuis op de avond voor Kerstmis en in de koelkast staan wat biertjes. Eenzaamheid is een geweldige emotie voor een persoonlijk nummer.

Voor ‘When Tammy Spoke to Martha’ neemt Sensor plaats achter de piano. Tijdens de studie blies hij stoom af in de kroeg met wat drank en andere verdovende middelen. De Amerikaan observeerde ook zijn medestudenten en deed stof op voor zijn liedjes.

Sensor is een sterk vertolker van zijn teksten, speelt heel redelijk gitaar en piano, maar mist nog wat ervaring op het podium. Hij klokt na elk nummer een flinke teug bier naar binnen en verschuilt zich wat in de alcohol. De spanning neemt wat af als ook de nummers op piano vlekkeloos lukken. Met ‘The Reaper Man’ en ‘Nothing Is Fair’ wordt een goed aftreden afgesloten. Een optreden in Düsseldorf wacht morgen, maar eerst wil hij nog wat praten bij de tafel met exemplaren van Starved Nights of Saturday Stars. Volledig ontspannen kletst hij honderduit. Hij is lyrisch over het Nederlandse publiek en is bijna verbaasd als een fan om een handtekening vraagt.

Trevor Sensor is een talentvolle, jonge muzikant, die zonder enige twijfel de ervaringen van deze tour door Europa in nieuwe liedjes zal gieten. Zijn debuutalbum is een release om naar uit te kijken.

FIDLAR

Losbollen laten temperatuur oplopen.

9 augustus 2016, Tolhuistuin, Amsterdam
Beeld: Joséphine Kurvers

‘Sabotage’, een nummer van Beastie Boys, zet de toon. Saboteren mag, saboteren moet vanavond! De vier muzikanten van FIDLAR hebben geen zekerheid, geen werk, geen plek om te slapen, geen opleiding en erger nog: het bierglas is leeg en de laatste sigaret is gebietst. Wat rest is een optreden in een onbekende zaal.

De bezoekers van de Tolhuistuin hebben met de laatste bij elkaar geschraapte centen een kaartje gekocht voor het concert. Vol verwachting kijken ze naar de chaos op het podium en de vier verdwaalde muzikanten die verbaasd de zaal in kijken. Het plastic glas is leeg en naar het podium gegooid. De moshpit ligt stil.

FIDLAR werd opgericht in 2009. De leden hadden wat mislukte baantjes achter de rug, maar konden door werk in een studio het hoofd boven water houden. Zac Carper was even verslaafd en kickte af. Elvis Kuehn en Carper vonden de tijd om nummers te schrijven en stopten deze vol met thema’s als verveling, bier, werkeloosheid, bier, meisjes en bier. Ze componeerden punkrock met voorspelbare teksten. De muziek die ze wilden maken was krachtig en simpel. Drummer Max Kuehn en bassist Brandon Schwartzel sloten aan. “Fuck it dog, life’s a risk“, een uitspraak die in de studio gebruikt werd, bleek als afkorting een prima naam en in 2012 stapte FIDLAR voor het eerst een podium op.

De eerste twintig seconden van het concert klinken rommelig. Alsof er vier muzikanten op het podium zijn geklommen die al te veel te lang werkeloos zijn en te weinig oefenen. Drummer Max Kuehn hakt dan de eerste klappen de zaal in, Schwartzel valt in en ‘Sabotage’ is een perfect openingsnummer en een goed gekozen cover. Na de eerste halve minuut zijn de vier mannen plotseling een band. De twee gitaristen raggen een fijne melodie in elk nummer en Zac Carper krijst de woorden de zaal in. De losbollen zijn prima muzikanten. FIDLAR is een groep met herkenbare thema’s en vooral heel veel ervaring op de podia. In elke zaal gaat de fik erin en op het festivalterrein gaat de zon schijnen als de groep speelt. In de Tolhuistuin is het warm en per nummer loopt de temperatuur op. De verdwaalde muzikanten vormen een goed geoliede machine.

Na ‘Sabotage’ zet Carper ‘Cheap Beer’ van debuut FIDLAR (2013) in en ligt hij na een couplet op de grond. Met een vette grijns komt hij overeind en speelt verder. Max Kuehn tikt tijdens het applaus af en ‘Drone’, een prijsnummer van TOO (2015) knalt door de zaal. In de eerste rijen is de moshpit een kolkende massa, vliegen hemdjes door de lucht en bereikt de temperatuur een recordhoogte.

Het applaus na afloop is ouderwets. Er wordt vooral hard geschreeuwd. “We want more! We want more!” Na ruim een minuut is de groep terug op het podium. Carper steekt twee vingers in de lucht als teken voor zijn kompanen. De groep speelt nog twee nummers en dan is het mooi geweest.

Met afsluiter ‘Wake Bake Skate’ schreeuwt FIDLAR met het publiek nog eenmaal de frustratie tegen het plafond. “I don’t have a job!” En dan is de kaars na slechts twee nummers en minder dan zes minuten toegift definitief uit en gaan de lichten aan. Buiten de zaal hangen enkele deelnemers van de moshpit uitgeput en tevreden in de banken.

MARK LANEGAN BAND

Statisch als groeiend gras.

29 juli 2016, Melkweg, Amsterdam

In de hal staan naast de tafel met merchandise een bureautje en een stoel. Een A4’tje geeft een simpele mededeling: “Mark Lanegan will sign after the show.” Tussen de T-shirts ligt een ep met zeven kerstnummers voor vijftien euro. Posters van The Spring Tour moeten tien of vijfentwintig euro opbrengen.

Mark Lanegan loopt al langer dan een mensenleven mee in de muziekwereld. Screaming Trees uit Seattle was misschien wel de beste grungeband in de jaren negentig en het schurende, donkere stemgeluid van Lanegan gaf de muziek een unieke extra lading. Na te veel drugs viel de groep uiteen. Tot verbazing van zo ongeveer iedereen in de muziekwereld ging de zanger niet ten onder aan zijn heroïnegebruik, hij kickte af en ging solo verder. Vooral de eerste langspelers – The Winding Sheet (1990) en Whiskey for the Holy Ghost (1994) – maakten indruk.

Lanegan is een veelgevraagd zanger. Hij werkte met Moby, dEUS, Soulsavers, Bomb the Bass en Creature with the Atom Brain. Verder was hij lid van Queens of the Stone Age, The Gutter Twins en The Twilight Singers.

In de Melkweg telt de groep vier muzikanten. Na wat tikken met de drumsticks is ‘Harvest Home’ van Phantom Radio (2014) onderweg en tijdens het applaus wordt ‘The Gravedigger’s Song’ ingezet. ‘No Bells on Sunday’ sluit het eerste trio nummers af. Tweemaal speelt de groep een wat langzaam rockend nummer, waarna de gashendel open gaat voor een uptempo song. Mark Lanegan en de band herhalen deze opzet een keer of vijf. De zanger staat onbewogen achter zijn microfoon en buigt af en toe het hoofd, de drummer blijft de drummer en de toetsenist gespt zo af en toe een gitaar om. De andere muzikanten staan op een eigen plek. Er is nauwelijks communicatie op het podium en er is ook geen contact met de fans in de zaal. Voorspelbaarheid is troef. Na elk nummer blijft alles bij hetzelfde. Luisteren naar de stem van Lanegan is een uniek genoegen, maar verder is het optreden statisch en na dertig minuten zo voorspelbaar als het groeien van gras. De groep speelt tracks van Phantom Radio en Blues Funeral (2012). Verder is ‘Deepest Shade’ een nummer van The Twilight Singers en ‘Black Rose Way’ is bekend van Screaming Trees.

Na zestien songs bedankt Lanegan het publiek en wandelt het podium af. Binnen zestig seconden en een mager applaus is de groep terug en, jawel, de leden nemen plaats op exact dezelfde plekken. Er worden drie nummers gespeeld, waarna Lanegan afscheid neemt met: ʺThanks very much and see you

De gitarist blijft achter op het podium. Hij deelt mee dat Mark Lanegan zo meteen naar de hal zal komen. ʺMark really wants to meet youʺ, zegt hij. Het overgrote deel van het publiek is op weg naar de garderobe of de uitgang. Het is moeilijk om te geloven dat Lanegan uitkijkt naar een ontmoeting met de fans. Logisch dus om in de hal te blijven hangen en te checken of de Amerikaan genegen is om wat selfies met bezoekers te maken. Bij de tafel mokken de fans wat ontevreden. De weg naar de uitgang is daarom gemakkelijker dan de aankoop van een gesigneerde ep met kerstnummers.

Foto uit het KindaMuzik-archief door Josselien van Eijk

LAGWAGON & USELESS ID & VERSUS THE WORLD

Lagwagon wil een koelkast op het podium.

22 juli 2016, Melkweg, Amsterdam
Beeld: Sander Rijken

Driemaal punkrockpret op een avond. Versus the World, Useless ID en Lagwagon zijn groepen die lol hebben op het podium en fans betrekken bij de feestelijkheden. Daarbij zijn zelfs The Ramones even te horen: ʺHey ho, let’s go.ʺ

De vijf leden van Versus the World[bovenste foto] komen op en nemen de tijd. Bassist Tony Caraffa gespt bijna in vertraging zijn gitaar om en drummer Mike Davenport wil zijn tatoeages tonen en doet twee minuten over het uittrekken van zijn shirt. Zanger David Spence hobbelt over het podium en excuseert zich voor overmatig drankgebruik van de vorige avond. Na uitvoerig te hebben geproost met de andere bandleden, vraagt hij de bezoekers naar voren te komen. Spence telt af, Versus the World is een feit en komt meteen op stoom. Op de planken staat een groep met potentie, lekkere punksongs en veel lol. De band heeft vorig jaar metHomesick/Roadsick het derde album uitgebracht. Onder de acht gespeelde nummers natuurlijk ‘A Love Song for Amsterdam’. Na dertig minuten sluit de groep een overtuigend optreden af.

Useless ID [foto links] timmert sinds 1994 muzikaal aan de weg. De achtste plaat, State Is Burning (2016), verscheen op Fat Wreck Chords. Na opener ‘Land of Idiocrazy’ speelt het viertal een solide set. De moshpit wil niet groter worden dan zes bezoekers, maar die hebben dan ook behoorlijk de ruimte. Direct naast die drukte staan twee blonde bezoeksters te bellen en te nippen aan hun bier. Soms is een punkconcert vooral een kijkervaring. Useless ID sluit af met ‘Blitzkrieg Bop’ van The Ramones. Het publiek wordt daarmee wakker geschud, brult mee en honderden vuisten gaan de lucht in. ʺHey, ho, let’s go.ʺ

Binnen tien minuten is het podium omgebouwd en onder groot gejuich betreedt Lagwagon[foto’s hierboven en onder] de planken. Het achtste album, Hang, verscheen in 2014. Lagwagon is graag op tournee, trekt overal volle zalen en speelt nummers van acht albums. De vijf zijn een soepel musicerende machine die grappen en onderbroekenlol niet schuwt. Dus opent bassist Joe Raposo met een sullige solo, draagt gitarist Chris Flippin een afzichtelijke oranje korte broek en wandelt zanger Joey Cape de eerste minuten wat verwonderd rond. Na de flauwe grappen is er de muziek. ‘Kids Don’t Like to Share’ is een zeer overtuigend eerste punkrocknummer. De groep schakelt meteen door naar ‘Violins’ en bij ‘Name Dropping’ krijgt het publiek gelegenheid de song vocaal in te zetten. ‘Bombs Away’ en ‘Move the Car’ vergroten het plezier en de geweldige sfeer in de zaal. Er is volop ruimte om mee te zingen, crowdsurfers worden een handje geholpen door Cape en de moshpit reikt tot ver voorbij de helft van de zaal. Het feest is compleet en de avond mag nog uren duren.

‘May 16′ is het wat plotselinge laatste nummer. Cape bedankt het ‘geweldige’ publiek, maar de groep lijkt meer zin te hebben in de drank in de kleedkamer dan in toegiften. Toch slaagt het publiek erin Lagwagon terug op het podium te krijgen. ‘After You My Friend’ en ‘Falling Apart’ leveren nog tweemaal een feestje op en dan valt definitief het doek. Lagwagon is een topgroep met heel veel goede punkrocksongs, maar een volgende keer mogen de vijf de kleedkamer meenemen naar het podium. Dan kan het feest na twintig nummers gewoon doorgaan.

Flamingods

Nu nog beter in de huiskamer.

20 juli 2016, Paradiso, Amsterdam
Beeld: Peter Hageman

Op hun Facebookpagina laten Flamingods weten trots te zijn dat ze als hoofdprogramma in Paradiso optreden. Vijftien minuten voor aanvang is de kleine bovenzaal op deze warme zomeravond zo goed als leeg. Alleen twee fotografen, vier bezoekers en een medewerker achter de tafel met merchandise zijn binnen. Als de zaal twintig minuten later wel goed gevuld is, betreden de zes muzikanten het podium.

Flamingods worden in 2009 opgericht in Bahrein. Zanger en multi-instrumentalist Kamal Rasool zoekt een aantal gelijkgestemde musici voor een muzikale mix van de oosterse en westerse wereld. Met instrumenten uit inheemse winkels vullen de leden de rock aan met invloeden uit Nepal, Thailand, Indonesië, Turkije, Japan en Tanzania. De slaapkamer van Rasool dient in de beginjaren als studio. In 2012 verschijnt Sun, de eerste langspeler.

Op het met apparatuur volgestouwde podium start de groep overdonderend. De stem van Rasool klinkt hard en scherp, terwijl de muzikanten nog op zoek moeten naar de subtiele details. De Britrock wordt in harde geluidsgolven gecombineerd met psychedelische Duitse krautrock. Ruim tien minuten later klinkt het eerste bijna verbaasde applaus. De groep speelt vooral nummers van het dit jaar verschenen vierde studioalbum, Majesty, waarop de band erin slaagt de teksten en de muziek als één geheel te laten klinken. Subtiel en met veel gevoel voor detail musiceerde het zestal tien nummers de computer in die bij beluistering in de huiskamer verslavend werken.

Er wordt opvallend weinig gecommuniceerd op het podium in de inmiddels zeer goed gevulde bovenzaal. Hier staat een verzameling individualisten en geen hechte groep die in staat is de fijnzinnige kanten van de composities te laten horen. De band heeft potentie, enthousiasme en frisheid. Het is leuk om te zien hoe gemakkelijk de muzikanten van instrument wisselen, zodat ‘Majesty’, ‘Yuka’ en ‘Mountain Man’ levendige uitvoeringen krijgen. Het niveau van de studioversies halen Flamingods vanavond echter nergens.

Verbazingwekkend genoeg zijn de leden niet in staat om de verslavende albumdetails te vertalen naar het podium. Maar hoewel het gevoel knaagt dat de zes onvoldoende samenspelen, verdient deze band een plaats op elk festival met een avontuurlijke programmering. Communicatie met elkaar en interactie met het publiek gaan waarschijnlijk ook gemakkelijker dan vanaf een krap podium. Er is voldoende talent en muzikaal vakmanschap, maar voorlopig is Majesty een release voor in de huiskamer.

BAD RELIGION & NOTE TO AMY

Vijftigers krijgen hulp.

20 juli 2016, Melkweg, Amsterdam
Beeld: Joséphine Kurvers

De laatste releases van Bad Religion zorgden vooral voor verbazing. De vijftigers krijgen opbeurende en overwegend positieve reacties, maar in geen enkel schrijven ontbreekt verwondering. Christmas Songs – dat in 2013 vlak voor kerst uitkwam – telt negen nummers, maar de compilatie is vooral in een vloek en een zucht voorbij. 30 Years Live, de verzamelaar uit 2012, kreeg een vinylrelease in 2016. Na zestien nummers zijn de dertig jaren in een half uurtje voorbij. Voor een groep die vanaf 1979 podia beklimt, is 30 Years Live een vreemde titel, maar geen fan die hier op let.

De bezoekers van het tweede Nederlandse concert in 2016 zouden zo maar de indruk kunnen krijgen dat de groep uitverkoopt. Bad Religion bracht al jaren geen nieuw materiaal uit, maar laadt een tafel vol met dure merchandise en vraagt behoorlijk wat geld voor een concertkaartje. Een ongeëvenaard optreden kan die zure conclusie verdrijven. Voorprogramma Note to Amyspeelt een korte, felle set met nummers van Life Is Not Enough (2014) voor de binnenkomende bezoekers. Zorgeloos, fanatiek en met veel energie trekt de Nederlandse groep de binnenkomers naar het podium. Na het concert liggen de releases van de groep voor een appel en een ei op de tafel in de hal. Note to Amy mag met nieuw materiaal komen.

Tussen Bad Religion [foto’s] en het publiek is meer dan een meter ruimte. Voor het podium staat een hek en verschillende beveiligers zorgen er voor dat crowdsurfers niet op het podium landen. ‘Crisis Time’ opent en na ‘1000 More Fools’ is er tijd voor een korte groet. Zanger Greg Graffin roept met schorre stem wat in de microfoon en ‘Stranger Than Fiction’ volgt. Voor het podium zijn tien rijen publiek in beweging. De bezoekers daarachter kijken geamuseerd en rustig toe.

Bad Religion heeft structuur in de setlist gebracht. Na vijf of zes nummers speelt de groep een hit en kunnen de mensen voor in de zaal even meeschreeuwen. Daarna neemt de band een korte pauze en kan Graffin de keel smeren. De zanger heeft vanavond weinig anekdotes en lijkt zijn stem te willen sparen, al vermeldt hij wel dat Bad Religion het eerste Europese concert ooit in Amsterdam gaf, maar dat is nieuws met een baard van meer dan dertig jaar.

Toen gitarist Brett Gurewitz en bassist Jay Bentley in 1979 de punkgroep Bad Religion oprichtten, kreeg student Gregory Walter Graffin kreeg een microfoon in handen gedrukt om zijn zelfgeschreven, politiek getinte teksten te zingen. Gurewitz is inmiddels vooral labelbaas van Epitaph en Graffin doceert een deel van het jaar paleontologie en biologie aan de universiteit van Los Angeles. Bad Religion is een leuke hobby geworden met meer geschiedenis dan toekomst.

Ondertussen spreekt Graffin de teksten in de microfoon en met handbewegingen vraagt hij steun van het publiek. De eerste rijen stappen uit de moshpit en willen graag helpen. Vervolgens is ‘Sorrow’ het laatste nummer van de reguliere set. De groep heeft achtentwintig maal grotendeels dezelfde song gespeeld, maar de gemakkelijk mee te brullen teksten maken Bad Religion speciaal. De refreinen zijn vanavond nauwelijks te verstaan, maar de hulp vanuit de zaal is ontroerend.

Bad Religion komt terug voor drie nummers. ‘Punk Rock Song’, ‘You’ en ‘American Jesus’ nemen nog geen tien minuten in beslag en dan kan de fan naar de dure merchandise in de hal. De vinyluitgave van 30 Years Live ontbreekt.