Archive for Uncategorized

Pop Aye

De wandeling van een gesjeesde architect en een oude olifant ontroert

Popeye Poster 1

“De stad neemt je op en spuugt je weer uit.” De bijna bejaarde architect Thana is door zijn ontwerpen deels verantwoordelijkheid voor het aanzicht van Bangkok. Hij wil een leefbare stad, een plek waar mensen graag wonen. Jongere collega’s zetten hem op een zijspoor. Thana wordt niet meer gevraagd aan te schuiven bij vergaderingen en zijn ontwerpen verdwijnen in de onderste lades van ongebruikte bureaus. Thuis treft hij zijn apathische echtgenote, die geen oor heeft voor de klachten van haar man. Ze wil zonder zorgen winkelen.

Na weer een mislukte dag tussen de muren van het ontwerpbureau, ziet Thana langs de weg een man met een olifant. Thuis zoekt hij een oud adressenboekje om te kunnen bellen naar iemand uit zijn jeugd. In zijn tienerjaren was er in zijn geboortedorp een olifant en hij denkt déze olifant te hebben gezien. Bij zijn speurtocht in huis stuit hij op een van de aankopen van zijn vrouw. Ze heeft hem niet verteld over de aanschaf van een dildo. Hij confronteert haar met het speeltje en het gesprek loopt uit op een ruziënd meningsverschil.

The Sailorman

Bij een tweede ontmoeting met de man en de olifant besluit Thane in een opwelling de olifant te kopen. Hij fluit de herkenningsmelodie van vroeger en ziet de olifant reageren op de melodie van Popeye The Sailorman. De architect pakt zijn spullen en gaat wandelend met de olifant op weg naar zijn geboortedorp Loei.

Pop Aye is een bijzondere roadmovie. De gedrongen architect en de grote olifant zijn een wonderlijk stel. Onderweg stuiten ze op bureaucratische instanties en ontmoeten ze wonderlijke en innemende mensen. Karaoke zingende travestieten hebben onuitvoerbare verlangens en rustig levende zwervers zijn het stadium van wensen voorbij. Om maar twee van de ontmoetingen te noemen. Thana treedt elk individu met menselijke interesse tegemoet.

Onbeantwoorde vragen

Kirsten Tan heeft een film gemaakt zonder stunts, ontploffingen en achtervolgingen. De olifant en zijn tijdelijke baasje beginnen aan een wandeling van vele dagen in het warme Thailand. In de Nederlandse bioscoop duurt de tocht 104 minuten. Thaneth Warakulnukroh,  in de jaren negentig in Thailand een beroemd progrock muzikant, speelt een ontwapenende rol als de op leeftijd geraakte architect. In Pop Aye krijgt niet elke verhaallijn een volledig bevredigend einde. Gaat Thana nog terug naar de werkgever? Acclimatiseert de olifant in Loei? En zo zijn er meer vragen die geen antwoord krijgen. Het is alles behalve een smet op een mooi geschoten, kleine film die van begin tot einde de aandacht vasthoudt en ontroert.

Rodney DeCroo – Old Tenement Man

Rodney DeCroo

Vanuit de gevangenis zingt Jack Taylor over de moord op zijn vader. Vijfentwintig jaren jong en hij verloor zijn vrijheid met één schot. “Blew my life away,” klinkt het vanuit de cel. Rodney DeCroo vertolkt het nummer levensecht, misschien wel vanuit een kleine ruimte met slechts drie muren en een raam met spijlen. Heeft hij zijn vader omgelegd?

 

 

De carrière van de Canadees DeCroo zou verfilmd moeten worden. Een paar zinnen om niet alle dramatische gebeurtenissen te herkauwen, niet alle oude koeien uit de sloot te halen. Zeven jaren geleden besluit hij vlak voor een uitverkocht optreden de samenwerking met zijn band op te zeggen; hij schrijft een toneelstuk, neemt een spoken-word langspeler op, schrijft een dichtbundel en moet iets met de diagnose post traumatische stress stoornis. Naast zijn schrift met ideeën voor nieuwe songs kan hij traumatische gebeurtenissen uit zijn jeugd stapelen.

Het debuutalbum onder eigen naam verschijnt in 2004, daarna neemt hij met War Torn Man een live album uit. Op de schijf is pratend publiek te horen. Juist deze nachtmerrie voor optredende artiesten laat DeCroo horen.

De voorlaatste release is Campfires On The Moon in 2015. Het is een verzameling toegankelijke nummers. DeCroo is voor de luisteraar te volgen. Tien nummers en de demonen en de impulsieve beslissingen lijken achter de rug.

Voor zijn zevende album Old Tenement Man heeft DeCroo rock ‘n’ roll ballades geschreven. De teksten verhalen over helden als Lou Reed en Leonard Cohen. Met producer Lorrie Matheson wilde DeCroo niet opnieuw schrijven over gebeurtenissen uit zijn eigen verleden, maar wilde hij zingen over de bewondering die hij heeft voor anderen. ‘Lou Reed On The Radio’ is een prachtig voorbeeld. Zinderend uptempo gitaarwerk en de tekst over Reed. De fan DeCroo zit gekluisterd aan de radio en hoort over de dood van een held en kan slechts in ongeloof luisteren.

DeCroo is lyrisch over de samenwerking met producer Lorrie Matheson. Hij heeft haar muzikaal de vrije hand gegeven. “I’ve always been labeled alt-country and getting to draw from Lorrie’s breadth of knowledge pushed me out of my musical bubble,” vertelt DeCroo over het bevrijdende partnerschap. Zijn muzikale palet met vooral americana heeft een fiks shot rock ‘n’ roll gekregen. Daarnaast schuwt Matheson schurende effecten niet. De uitgebalanceerde, heldere nummers krijgen daarmee een extra muzikale lading.

De tien nummers op Old Tenement Man hebben grote zeggingskracht. Natuurlijk gebruikt DeCroo in zijn liedjes karakters uit het verleden. Er komen meer mensen langs dan alleen Lou Reed en Leonard Cohen. Geen van de bezoekers in de nummers slaagt er ditmaal in het humeur van DeCroo te bederven. De troubadour haalt kracht uit de teksten die hij schrijft. Het album sluit af met ‘The Barrel Has A Dark Eye’. DeCroo gaat toch nog op zoek naar de duivels en de demonen. Hij geeft geen antwoord over zijn zoektocht, het is aan de luisteraar om na te denken.

Old Tenement Man is een productie met talloze verhalen. Rodney DeCroo neemt de luisteraar bij de hand en laveert met groot muzikaal vakmanschap langs de vele mogelijke moeilijkheden. Hij heeft geen pasklare oplossingen maar biedt fascinerende, muzikale hoop in deze tijd van onzekerheden. (Tonic Records)

Jeffrey Halford and The Healers

Een tekst, een stem, een snik

Lo Fi Dreams

In 2014 verschijnt Kerosene, het achtste album van Jeffrey Halford and The Healers. De agenda van deze muzikanten groep is simpel. Ze nemen nieuw materiaal op in een studio of zijn onderweg naar podia om heel veel liedjes op de planken te spelen. Kerosene was een goed gekozen titel. De groep gebruikt brandstof om van plaats naar plaats te reizen, de groep krijgt energie door het vele optreden en de respons van het publiek. Door het vele toeren heeft het even (!) geduurd voor er nieuw materiaal was, maar nu is Lo Fi Dreams verkrijgbaar.

Jeffrey Halford is een in Dallas geboren zanger, liedjessmid en gitarist. In zijn jeugd luistert hij op de transistorradio naar Roger Miller. Na wat omzwervingen belandt het gezin in San Francisco, waar Halford architectuur studeert en op de straathoeken zijn eerste liedjes ten gehore brengt.

Anno 2016 heeft Halford op het podium gestaan met Mick Fleetwood, Canned Heat, Guy Clark, Robert Earl Keen and Ramblin’ Jack Elliott, Taj Mahal, Etta James, Los Lobos en John Hammond. Geen misselijke groep muzikanten. Als componist wordt de Amerikaan in een rij gezet met Randy Newman, John Prine en John Fogerty gezet.

Gevoelige inkt
Het album Toxic was het debuut van Halford. Net als opvolger Nine Hard Days zijn deze releases ‘out of print’. De langspeler Kerosene (1998) is gewoon te bestellen. Jeffrey Halford and The Healers maken rootsrock met een flinke veeg romantiek. Een voorbeeld is de tekst van het nummer ‘Driving Alone’ van Kerosene. De band is aan het toeren, het podium staat in een wat kil kot en de toeschouwers zijn afstandelijk en kritisch. Halford schrijft dan de volgende tekst met een snik in de stem: ‘The lonesome singer moaned through the speaker that was blown, while I was driving alone.’ Het is bijna niet mogelijk meer drama en romantiek in een zin te vatten.

Gruzelementen
Ook voor Lo Fi Dreams heeft Halford de pen weer diep in de gevoelige inkt gestoken. In het nummer ‘10.000 miles’ reist de eenzame muzikant naar huis. ‘I’m rolling home to you,’ en warempel het nummer rolt op gang. ’10.000 miles and 10.000 more.’ De titel van het nummer ‘Looking For A Home’ zegt veel. Een echtpaar wordt door de sheriff het huis gezet en zal op zoek moeten naar een nieuwe plek om te wonen. In ‘Elvis Shot The Television’ laat Halford horen humor en bewondering in een liedje te kunnen vatten. De luisteraar ziet bij de woorden Elvis onderuit gezakt voor een televisie zitten. Het programma staat hem niet aan, de afstandsbediening ligt niet binnen handbereik en hij schiet de beeldbuis aan gruzelementen.

Lo Fi Dreams, in een hoes die Joost Swarte met een klare lijn had kunnen ontwerpen, telt maar tien nummers. Dat is tevens het enige punt van kritiek bij deze release. Jeffrey Halford and The Healers nemen de luisteraar mee op een trip die avontuurlijk maar wat kort is. Tijdens de reis wordt er heerlijke rootsrock gedraaid. Na het tiende nummer moet de repeatknop al worden ingedrukt. En dat is drie of vier nummers te snel. (Shoeless Records)

Reto Burrell – Side A&B

De Zwitserse troubadour Reto Burrell brengt met Side A & B zijn twaalfde solorelease uit. Voor het gemak heeft Burrell dit album in twee kanten gesplitst. Hij deelde niet alleen de muziek in, hij had gelijk een titel voor het schijfje. Op kant A staan zeven nummers die Burrell met een groep muzikanten opnam. Naast de hulp van bevriende musici is het toch vooral Burrell die de nummers vol speelt. Schrijven, uitvoeren en produceren, de Zwitser houdt de zaken graag in eigen handen. De nummers zijn uptempo, kunnen stuk voor stuk in een rokerige en naar goede whisky ruikende balzaal gespeeld worden. De muziek zal enthousiast onthaald worden door het meelevende en zingende publiek.

Uit opener ‘Shake it’:

“Fill it up till the glass is full

Then drink it out and start all over again”

Het leven is niet alleen maar voorspoed en geluk. Er is misère en tegenslag, maar Burrell pleit er voor vol van het leven te genieten. ‘But don’t forget to rattle and shake it.’

Het publiek heft het glas, applaudisseert en wacht op het volgende nummer. Zoals gezegd staan op Kant A de wat snellere nummers. ‘Chasing The Wind’ heeft een wapperende gitaarsolo en voor ‘Swimming In Stars’ zal het publiek uit de stoelen komen voor een dansje.

Op Kant B zijn de kleine nummers te vinden. Burrell laat zich spaarzaam begeleiden. Soms wat strijkers, op andere momenten is een stem op de achtergrond. Ook nu zeven nummers en ook in deze songs slaagt Burrell er in de aandacht van de luisteraar geen moment te verliezen. ‘Seize The Morning’ en ‘Sweet Lover’ zijn mooie komposities in een fraaie akoestische uitvoering. Alleen ‘You’re Still Alive’ is wat gewoontjes.

Bij Reto Burrell klinkt elk nummer bedrieglijk eenvoudig en gemakkelijk. De nummers verbazen niet door de grote originaliteit, ze passeren nergens de bermen van de bekende paden van de countryrock. Nee, elke song klinkt min of meer bekend en na lang nadenken is er geen naam die te binnen schiet. De beste oplossing is het nummer gewoon nog een keer beluisteren.

Met Side A & B heeft Burrell een lekker klinkende plaat gemaakt. De muziek die ‘gemakkelijk en lekker’ klinkt, vraagt terecht veel tijd. Dit twaalfde album van de Zwitser luistert heerlijk weg. (TOURBOmusic)

Reto Burrell – Side A & B

Kwaliteit klinkt bedrieglijk eenvoudig

Reto Burrell Side A & BDe Zwitserse troubadour Reto Burrell brengt met Side A & B zijn twaalfde solorelease uit. Voor het gemak heeft Burrell dit album in twee kanten gesplitst. Hij deelde niet alleen de muziek in, hij had gelijk een titel voor het schijfje. Op kant A staan zeven nummers die de Zwitser met een groep muzikanten opnam. Naast de hulp van bevriende musici is het toch vooral Burrell die de nummers vol speelt. Schrijven, uitvoeren en produceren, hij houdt de zaken graag in eigen handen. De nummers zijn uptempo, kunnen stuk voor stuk in een rokerige en naar goede whisky ruikende balzaal gespeeld worden. De muziek zal enthousiast onthaald worden door het meelevende en zingende publiek.

Uit opener ‘Shake it’:

“Fill it up till the glass is full

Then drink it out and start all over again”

Het leven is niet alleen maar voorspoed en geluk. Er is misère en tegenslag, maar Burrell pleit er voor vol van het leven te genieten. ‘But don’t forget to rattle and shake it.’

Het publiek heft het glas, applaudisseert en wacht op het volgende nummer. Zoals gezegd staan op Kant A de wat snellere nummers. ‘Chasing The Wind’ heeft een wapperende gitaarsolo en voor ‘Swimming In Stars’ zal het publiek uit de stoelen komen voor een dansje.

Op Kant B zijn de kleine nummers te vinden. Burrell laat zich spaarzaam begeleiden. Soms wat strijkers, op andere momenten is een stem op de achtergrond. Ook nu zeven nummers en ook in deze songs slaagt Burrell er in de aandacht van de luisteraar geen moment te verliezen. ‘Seize The Morning’ en ‘Sweet Lover’ zijn mooie komposities in een fraaie akoestische uitvoering. Alleen ‘You’re Still Alive’ is wat gewoontjes.

Bij Reto Burrell klinkt elk nummer bedrieglijk eenvoudig en gemakkelijk. De nummers verbazen niet door de grote originaliteit, ze passeren nergens de bermen van de bekende paden van de countryrock. Nee, elke song klinkt min of meer bekend en na lang nadenken is er geen naam die te binnen schiet. De beste oplossing is het nummer gewoon nog een keer beluisteren.

Met Side A & B heeft Burrell een lekker klinkende plaat gemaakt. De muziek die ‘gemakkelijk en lekker’ klinkt, vraagt terecht veel tijd. Dit twaalfde album van de Zwitser luistert heerlijk weg. (TOURBOmusic)

Douglas Greer, Baja Louisiana

douglas-greer-baja-louisiana

Douglas Greer debuteerde in 2006 met Just    A  Man. Juichende kritieken en goed      bezochte  optredens gingen hand in hand. De  Amerikaanse  bard scoorde aan de lopende      band prijzen en  was vooral in West Europa  een graag geziene gast  op festivals. Het heeft tien jaren geduurd voor  opvolger Baja Louisiana de schappen van de  winkels bereikt. Elf nummers heeft Greer  opgenomen onder de productionele leiding van Mark Hallman.
In Confession House Studio in Austin, Texas is er gewerkt aan de nummers, die opnieuw kleine soms alledaagse verhalen zijn. Greer verhaalt in zijn nummers over gebeurtenissen van de gewone burger. Het fijne van de nummers op Baja Louisiana is dat de nummers per draaibeurt details prijs geven. Daarnaast zijn de melodieën dermate verslavend dat het een must is de plaat vaak op te zetten.
Tekstueel staat de release vol pareltjes. Take My Mind Of Your Facebook Page is de hilarische conclusie van een stel geliefden die een punt achter de relatie hebben gezet. Het uptempo nummer is niet alleen goed voor een glimlach, na drie of vier keer draaien zit het liedje gebeiteld onder de hersenpan. In Out Of My Mind pakt Greer de luisteraar in de eerste seconden met een gedragen orgelsolo, Christmas In The Travis County Jail is een verhaal dat goed is voor een hoopvolle snik terwijl in afsluiter Dead Unicorns de gitaren in een bochtige melodie bijna ontsporen.
Baja Louisiana verdient podia. Greer zal op de podia iets meer buiten de voorgeschreven lijntjes musiceren en dat zal de nummers op deze release alleen maar goed doen. Na vele malen de release te hebben beluisterd is de laatste zin logisch. Het is te hopen dat de opvolger van het sterke Baja Louisiana geen tien jaren op zich zal laten wachten.
(Zilker Park Records)

KEVIN MORBY & JESS WILLIAMSON

Kevin Morby verwaarloost het publiek bij prima optreden.
29 augustus 2016, Bitterzoet Amsterdam
Beeld: Peter Hageman

In november verschijnt het debuutalbum van Jess Williamson [bovenste foto]. Bij haar eerste optreden in Nederland speelt de Texaanse nummers van twee verschenen ep’s en recent geschreven werk. De Amerikaanse staat alleen op het podium en beroert met haar stem de zaal. Ze begeleidt zichzelf op gitaar en neemt de tijd voor de verhalende nummers. ‘Why Bad’ is een nieuwe song, die meer dan vier minuten duurt en nauwelijks herhalingen kent. In nummers als ‘Blood Song’ en ‘See You’ is de schoonheid verstild. De composities van Williamson zijn geschikt voor een huiskamer of een intieme zaal als Bitterzoet. Williamson is in staat om als voorprogramma een klein halfuur boeiende muziek te spelen. Afwachten of dat ook lukt met een volledig album.

Kevin Morby [overige foto’s] en zijn band hebben twee nummers nodig om hun draai te vinden. Opener ‘Cut Me Down’ wordt wat aarzelend gespeeld en ‘Dorothy’ klinkt te luid en zonder nuance. In ‘Harlem River’, een nummer van Morby’s eerste sololangspeler, vindt de groep het goede geluid. Ruim zes minuten rockt de band swingend langs de oevers van deze rivier. De zaal is in beweging en de band komt op temperatuur. Morby en zijn drie begeleiders zetten ‘All of My Life’ in. Het plafond mag er af vanavond!

Morby is een drukbezet muzikant. Naast zijn werk met The Babies en Woods brengt hij sololangspelers uit. De releases staan vol met knap geschreven folkrock en americananummers. Lou Reed, Bob Dylan en Neil Young zijn gemakkelijke etiketten. Morby is een muzikant die met steeds betere liedjes zijn eigen weg zoekt. ‘Tiny Fires’ is zo’n zacht rockend nieuw nummer dat naadloos in de set past.

De Amerikaan heeft drummer Justin Sullivan, bassist Cyrus Gengras en gitariste Meg Duffy meegebracht. Visueel is er weinig te beleven op het podium. De vier muzikanten hebben een eigen plek en hoewel ze nauwelijks contact met elkaar hebben, vormen ze een prima muzikale machine. Sullivan is zo’n drummer die geen aandacht vraagt, maar elk nummer een solide fundament geeft. Gengras is een bescheiden muzikant die geen noot te veel speelt en daarmee het geluid de juiste lading geeft. Duffy excelleert in een aantal nummers, maar valt verder nauwelijks op. Het oog mag dan wat verwaarloosd worden, het oor wordt prima bediend. ‘I Have Been to the Mountain’ en ‘Singing Saw’, het titelnummer van de laatste langspeler, krijgen voortreffelijke uitvoeringen. Na vijfenveertig minuten speelt Morby solo ‘Black Flowers’, ‘Beautiful Stranger’ en ‘No Place to Fall’, een song van Townes van Zandt. Driemaal een prijsnummer met iets te lange pauzes voor het stemmen. ‘Parade’ en ‘The Ballad of Arlo Jones’ zijn de toegiften met de groep, mooie nummers om een goed concert af te sluiten. Het publiek wil nog geen afscheid nemen, maar de geluidsman zet de muziek in de zaal aan.

Morby krijgt met elk optreden meer mensen op de been. Kritiek op de wat lange stempauzes en de korte toegift is terecht en het logische advies om aan het einde nogmaals terug te komen voor drie of vier nummers is alleen maar een mooi compliment.

Trevor Sensor

De zoon van Bob Dylan en Johnny Rotten.

10 augustus 2016, Tolhuistuin, Amsterdam
Beeld: Peter Hageman

Voor het podium staan tachtig stoelen. Vijftien minuten voor het optreden zitten er zes mensen in de zaal. Iets later dan aangekondigd stapt Trevor Sensor het podium op. Zestig mensen krijgen een nerveus knikje. Een piano, twee gitaren en een microfoon staan tot zijn beschikking. Sensor heeft twee kleine flesjes bier meegenomen. Na opener ‘Another Night at Lamppost Lounge’ vertelt hij een flink deel van de middag te hebben gewandeld. ʺI spent my day walking and drinking beer.ʺ De Amerikaan heeft twee ep’s uitgebracht. Texas Girls and Jesus Christverscheen in maart 2015. Vlak voor de optredens in Europa kwam Starved Nights of Saturday Stars uit.

In een recensie van een optreden in thuisstad Sterling, Illinois schreef een journalist dat de zoon van Bob Dylan en Johnny Rotten op de planken was geklommen. De stem van Sensor klinkt als een kruising van de verhalende Amerikaan en de snerende Engelsman. Daarbij neemt Sensor de tijd voor zijn verhalen en stopt hij veel woorden in zijn teksten. Op het podium zijn dit sterke en aantrekkelijke punten. De stem van Sensor klinkt soms wat scherp, maar vooral helder en zuiver. De verhalen in de teksten gaan vaak over de zelfkant van het leven. Drank, drugs en mensen die vaak het nachtleven opzoeken om ervaringen op te doen, komen aan bod in de nummers. Sensor is pas tweeëntwintig jaren maar lijkt al langer mee te lopen.

De bard speelt americana, folk en country. Hij gooit de muziek in de blender die zijn persoonlijke belevenissen bevat. ‘Starved Nights of Saturday Stars’ is zo’n nummer over een persoonlijke belevenis. Alleen thuis op de avond voor Kerstmis en in de koelkast staan wat biertjes. Eenzaamheid is een geweldige emotie voor een persoonlijk nummer.

Voor ‘When Tammy Spoke to Martha’ neemt Sensor plaats achter de piano. Tijdens de studie blies hij stoom af in de kroeg met wat drank en andere verdovende middelen. De Amerikaan observeerde ook zijn medestudenten en deed stof op voor zijn liedjes.

Sensor is een sterk vertolker van zijn teksten, speelt heel redelijk gitaar en piano, maar mist nog wat ervaring op het podium. Hij klokt na elk nummer een flinke teug bier naar binnen en verschuilt zich wat in de alcohol. De spanning neemt wat af als ook de nummers op piano vlekkeloos lukken. Met ‘The Reaper Man’ en ‘Nothing Is Fair’ wordt een goed aftreden afgesloten. Een optreden in Düsseldorf wacht morgen, maar eerst wil hij nog wat praten bij de tafel met exemplaren van Starved Nights of Saturday Stars. Volledig ontspannen kletst hij honderduit. Hij is lyrisch over het Nederlandse publiek en is bijna verbaasd als een fan om een handtekening vraagt.

Trevor Sensor is een talentvolle, jonge muzikant, die zonder enige twijfel de ervaringen van deze tour door Europa in nieuwe liedjes zal gieten. Zijn debuutalbum is een release om naar uit te kijken.

FIDLAR

Losbollen laten temperatuur oplopen.

9 augustus 2016, Tolhuistuin, Amsterdam
Beeld: Joséphine Kurvers

‘Sabotage’, een nummer van Beastie Boys, zet de toon. Saboteren mag, saboteren moet vanavond! De vier muzikanten van FIDLAR hebben geen zekerheid, geen werk, geen plek om te slapen, geen opleiding en erger nog: het bierglas is leeg en de laatste sigaret is gebietst. Wat rest is een optreden in een onbekende zaal.

De bezoekers van de Tolhuistuin hebben met de laatste bij elkaar geschraapte centen een kaartje gekocht voor het concert. Vol verwachting kijken ze naar de chaos op het podium en de vier verdwaalde muzikanten die verbaasd de zaal in kijken. Het plastic glas is leeg en naar het podium gegooid. De moshpit ligt stil.

FIDLAR werd opgericht in 2009. De leden hadden wat mislukte baantjes achter de rug, maar konden door werk in een studio het hoofd boven water houden. Zac Carper was even verslaafd en kickte af. Elvis Kuehn en Carper vonden de tijd om nummers te schrijven en stopten deze vol met thema’s als verveling, bier, werkeloosheid, bier, meisjes en bier. Ze componeerden punkrock met voorspelbare teksten. De muziek die ze wilden maken was krachtig en simpel. Drummer Max Kuehn en bassist Brandon Schwartzel sloten aan. “Fuck it dog, life’s a risk“, een uitspraak die in de studio gebruikt werd, bleek als afkorting een prima naam en in 2012 stapte FIDLAR voor het eerst een podium op.

De eerste twintig seconden van het concert klinken rommelig. Alsof er vier muzikanten op het podium zijn geklommen die al te veel te lang werkeloos zijn en te weinig oefenen. Drummer Max Kuehn hakt dan de eerste klappen de zaal in, Schwartzel valt in en ‘Sabotage’ is een perfect openingsnummer en een goed gekozen cover. Na de eerste halve minuut zijn de vier mannen plotseling een band. De twee gitaristen raggen een fijne melodie in elk nummer en Zac Carper krijst de woorden de zaal in. De losbollen zijn prima muzikanten. FIDLAR is een groep met herkenbare thema’s en vooral heel veel ervaring op de podia. In elke zaal gaat de fik erin en op het festivalterrein gaat de zon schijnen als de groep speelt. In de Tolhuistuin is het warm en per nummer loopt de temperatuur op. De verdwaalde muzikanten vormen een goed geoliede machine.

Na ‘Sabotage’ zet Carper ‘Cheap Beer’ van debuut FIDLAR (2013) in en ligt hij na een couplet op de grond. Met een vette grijns komt hij overeind en speelt verder. Max Kuehn tikt tijdens het applaus af en ‘Drone’, een prijsnummer van TOO (2015) knalt door de zaal. In de eerste rijen is de moshpit een kolkende massa, vliegen hemdjes door de lucht en bereikt de temperatuur een recordhoogte.

Het applaus na afloop is ouderwets. Er wordt vooral hard geschreeuwd. “We want more! We want more!” Na ruim een minuut is de groep terug op het podium. Carper steekt twee vingers in de lucht als teken voor zijn kompanen. De groep speelt nog twee nummers en dan is het mooi geweest.

Met afsluiter ‘Wake Bake Skate’ schreeuwt FIDLAR met het publiek nog eenmaal de frustratie tegen het plafond. “I don’t have a job!” En dan is de kaars na slechts twee nummers en minder dan zes minuten toegift definitief uit en gaan de lichten aan. Buiten de zaal hangen enkele deelnemers van de moshpit uitgeput en tevreden in de banken.

MARK LANEGAN BAND

Statisch als groeiend gras.

29 juli 2016, Melkweg, Amsterdam

In de hal staan naast de tafel met merchandise een bureautje en een stoel. Een A4’tje geeft een simpele mededeling: “Mark Lanegan will sign after the show.” Tussen de T-shirts ligt een ep met zeven kerstnummers voor vijftien euro. Posters van The Spring Tour moeten tien of vijfentwintig euro opbrengen.

Mark Lanegan loopt al langer dan een mensenleven mee in de muziekwereld. Screaming Trees uit Seattle was misschien wel de beste grungeband in de jaren negentig en het schurende, donkere stemgeluid van Lanegan gaf de muziek een unieke extra lading. Na te veel drugs viel de groep uiteen. Tot verbazing van zo ongeveer iedereen in de muziekwereld ging de zanger niet ten onder aan zijn heroïnegebruik, hij kickte af en ging solo verder. Vooral de eerste langspelers – The Winding Sheet (1990) en Whiskey for the Holy Ghost (1994) – maakten indruk.

Lanegan is een veelgevraagd zanger. Hij werkte met Moby, dEUS, Soulsavers, Bomb the Bass en Creature with the Atom Brain. Verder was hij lid van Queens of the Stone Age, The Gutter Twins en The Twilight Singers.

In de Melkweg telt de groep vier muzikanten. Na wat tikken met de drumsticks is ‘Harvest Home’ van Phantom Radio (2014) onderweg en tijdens het applaus wordt ‘The Gravedigger’s Song’ ingezet. ‘No Bells on Sunday’ sluit het eerste trio nummers af. Tweemaal speelt de groep een wat langzaam rockend nummer, waarna de gashendel open gaat voor een uptempo song. Mark Lanegan en de band herhalen deze opzet een keer of vijf. De zanger staat onbewogen achter zijn microfoon en buigt af en toe het hoofd, de drummer blijft de drummer en de toetsenist gespt zo af en toe een gitaar om. De andere muzikanten staan op een eigen plek. Er is nauwelijks communicatie op het podium en er is ook geen contact met de fans in de zaal. Voorspelbaarheid is troef. Na elk nummer blijft alles bij hetzelfde. Luisteren naar de stem van Lanegan is een uniek genoegen, maar verder is het optreden statisch en na dertig minuten zo voorspelbaar als het groeien van gras. De groep speelt tracks van Phantom Radio en Blues Funeral (2012). Verder is ‘Deepest Shade’ een nummer van The Twilight Singers en ‘Black Rose Way’ is bekend van Screaming Trees.

Na zestien songs bedankt Lanegan het publiek en wandelt het podium af. Binnen zestig seconden en een mager applaus is de groep terug en, jawel, de leden nemen plaats op exact dezelfde plekken. Er worden drie nummers gespeeld, waarna Lanegan afscheid neemt met: ʺThanks very much and see you

De gitarist blijft achter op het podium. Hij deelt mee dat Mark Lanegan zo meteen naar de hal zal komen. ʺMark really wants to meet youʺ, zegt hij. Het overgrote deel van het publiek is op weg naar de garderobe of de uitgang. Het is moeilijk om te geloven dat Lanegan uitkijkt naar een ontmoeting met de fans. Logisch dus om in de hal te blijven hangen en te checken of de Amerikaan genegen is om wat selfies met bezoekers te maken. Bij de tafel mokken de fans wat ontevreden. De weg naar de uitgang is daarom gemakkelijker dan de aankoop van een gesigneerde ep met kerstnummers.

Foto uit het KindaMuzik-archief door Josselien van Eijk