The Lemon Twigs – OT301, Amsterdam

Grote broer schittert, kleine broer moet lessen nemen (24-11-2016)

thelemontwigs-1116

Het album Do Hollywood van The Lemon Twigs ligt al een maand of drie in de winkels. De recensenten waren laaiend enthousiast en schreven de tieners Brian en Michael D’Addario de muzikale hemel in. ‘These Words’ werd als single uitgebracht en het schijfje kreeg, naast aandacht in de pers, speeltijd op de radio. Beach Boys, Beatles en zuiver gezongen koortjes figureerden in de koppen van de artikelen. Er werd geschreven over complexe rockopera’s, die in iets meer dan drie minuten worden uitgevoerd door muzikanten die van psychedelische rock moeiteloos overgaan naar gelikte, fris klinkende pop.

Fucking right bro, let’s go“, antwoordt Brian op de eerste mokerslagen die broer Michael op zijn drumstel roffelt in het Amsterdamse OT301. ‘I Wanna Proof to You’, de opener van het album, wordt ingezet en alles valt op de juiste plaats. The Lemon Twigs hebben een prima voorganger in Brian D’Addario, een perfecte tweede stem bij toetsenist Danny Ayala en een rustige fundamentbouwster in bassiste Megan Zeankowski. Michael slaat vooral heel hard. Zonder enig probleem schakelt Brian naar ‘Why Didn’t You Say That’, een nummer dat in 2017 op een nieuwe ep van de groep zal verschijnen. Het is een springerige song die niet zou misstaan op een verzamelaar van The Kinks. ‘These Words’ is daarna opnieuw een nummer van Do Hollywood.

Voor ‘Those Days Is Comin’ Soon’ stapt Michael D’Addario naar voren. Broer Brian (19 jaar) neemt de drumsticks in zijn handen. Bij ‘Baby Baby’ wordt het muzikale verval merkbaar. De jongste D’Addario (17 jaar) is een matige zanger en allesbehalve een groots gitarist. Hij slaagt er weliswaar in om zijn linkervoet tot nekhoogte omhoog te gooien, maar voor gymnastische toeren is het publiek niet gekomen.

Michael D’Addario is een muzikant die opkijkt naar muzikanten als Pete Townshend en Pete Doherty, maar qua muzikaal talent blijft steken op het bedenkelijke niveau van Sid Vicious. ‘So Fine’ is een volgend nummer van de te verschijnen ep. Er zijn geen koortjes, geen psychedelische stukken muziek, geen Brian Wilson en geen John Lennon. The Lemon Twigs zijn de tweede helft van het concert een groep met een zeer middelmatige zanger, die de weg naar de schuifdeuren zou moeten inslaan. De oudste D’Addario corrigeert zijn broer een aantal malen. Hij haalt de draad van de gitaar uit de knoop, maar heeft geen zin in een discussie over de te spelen nummers. “Right now we have an audience. We have to perform“, bijt hij broerlief toe, en hij zet nieuw nummer ‘Way My Soul’ in.

Voor de toegift blijft Megan Zeankowski in de kleedkamer. Brian D’Addario neemt plaats achter de toetsen en Michael D’Addario en Danny Ayala gebruiken samen een microfoon. Solo op toetsen speelt de oudste van de broers ‘How Lucky Am I?’ En dan zijn The Lemon Twigs nog eenmaal de groep van dat leuke album Do Hollywood. Danny Ayala is een prima muzikant met een fantastische tweede stem en Brian D’Addario is een multi-instrumentalist met een grote toekomst voor zich. Zijn broer mag terug naar huis om wat lessen te nemen. Voor Megan Zeankowski is de toekomst nog onduidelijk.

Fuzzy foto: Jaks Schuit

The Growlers – Tolhuistuin, Amsterdam (14-11-2016)

Zesentwintig nummers in dezelfde versnelling

growlers-illustr03

De dj-set voor het optreden is warrig. The Equals, Agnetha Fältskog (ABBA) en George McCray schallen door de zaal. Na ‘Rock Your Baby’ is het gefluit van het publiek zo hard, dat het in de kleedkamer hoorbaar moet zijn. “Hello, hooray, let the show begin“, gezongen door Alice Cooper, knalt uit de boxen en de zes leden van The Growlers stappen in een uitverkochte Tolhuistuin het podium op.

De groep is opgericht in 2006 in Californië en debuut Are You In or Out verscheen in 2009. Bij eerder bezoeken aan Nederland bezochten de psychedelische surfrockers nog wel eens een coffeeshop. Vanavond is de groep nuchter en lijken de Amerikanen er vanaf opener ‘Rubber & Bone’ zin in te hebben. Gekleed in driedelig pak – de vouw scherp in de broeken – schakelt de groep door naar ‘Naked Kids’ van Hung at Heart (2013). De groep oogt geconcentreerd, de koortjes zijn zuiver en er gaat geen tijd verloren met het stemmen van gitaren. Na zeven nummers gaat het jasje van zanger Brooks Nielsen uit en zet de groep ‘The Daisy Chain’ in. De toetsen van Kyle Straka rammelen en Matt Taylor speelt een lome gitaarsolo, maar de groep speelt nog steeds in een wat lage versnelling.

Vijf albums hebben The Growlers inmiddels uitgebracht. Bij City Club (2016) kroop Julian Casablancas (The Strokes) achter de knoppen. De samenwerking heeft de groep goed gedaan: de vrijblijvendheid is uit het geluid verdwenen. The Growlers waren een echte surfrockgroep, maar hebben met de hulp van Casablancas het zand van de instrumenten geblazen. Op City Club laat de groep lef horen, is er een portie grootsteedse arrogantie aanwezig en speelt de groep met tempo’s en versnellingen. Het is met afstand het beste album van de groep.

Het intro van nummer ‘City Club’ is uit duizenden herkenbaar en nodigt uit tot wat voorzichtige danspassen. Nielsen zet wat stapjes, maar doet dat solo op het podium. Er is nauwelijks contact met het publiek en nog geen dertig seconden later kopieert de groep wat routineus de versie van de plaat. Een goed nummer zal op deze manier geen hoogtepunt worden tijdens een concert. ‘Gay Thoughts’, de single uit 2013, komt voorbij en is het vijftiende nummer van het optreden. Er gaan wat vuisten de lucht in en de eerste zin wordt meegezongen, maar er wordt niet gebruld en er is geen aanzet tot een moshpit. Een fan steekt een sigaret op voor het podium en geeft deze aan Nielsen. De bezoeker krijgt een glimlach van de zanger en een vriendelijk corrigerende vermaning van een beveiliger. Passende afsluiter ‘Tell It How It Is’, het drieëntwintigste(!) nummer, wordt wat tam ten uitvoering gebracht. De groep loopt van het podium af en het publiek klapt zonder veel enthousiasme voor toegiften.

The Growlers komen terug. Straka geeft een fan zijn glas drinken. Het is de eerste spontane actie van een van de groepsleden. Na een slokje geeft de bezoekster de beker terug. ‘Blood of a Mutt’, ‘I’ll Be Around’ en ‘Going Gets Tough’ worden plichtmatig uitgevoerd. Na het laatste nummer zwaaien de muzikanten wat onhandig naar het publiek en haasten ze zich van het podium. Binnen tien seconden springen de lichten in de zaal aan.

Zesentwintig nummers van The Growlers is te veel voor een feestje. De groep overtuigt in de studio en moet nu op het podium op zoek naar de juiste versnellingen.

Beeld: Guusje Thelissen

Okkervil River

Een lastige keuze tussen Okkervil River en Will Sheff.

Tolhuistuin, 5 november 2016.

“Misschien is de band wel beter dan de bard,” merkt een fan na het optreden van Okkervil River op, “Will Sheff is een goede zanger, maar de muzikanten excelleren in bijna elk nummer. Fantastisch!”

De Amerikaanse singer-songwriter L.A. Salami legt bij optredens in Nederland steevast zijn naam uit, “it’s Lookman Adekunie Salami”. Hij speelt vooral tracks van het dit jaar verschenen debuut ‘Dancing With Bad Grammar’. Salami schrijft en speelt verhalende Americana en etaleert in korte tijd kwaliteit en charme. Het optreden begint met een korte aankondiging. “I’m gonna play some songs, I guess,” meldt hij relativerend en excuseert zich voor een recente verkoudheid. Met groot gemak blijft hij een half uur overeind en weet zelf de praters achter in de zaal stil te krijgen. L.A. Salami is een groot talent met een geweldig debuutalbum op zijn conto.

Okker Ville

Op het podium in de Tolhuistuin zijn de microfoons met rode bloemen behangen. De sfeer in de zaal is stemmig en sfeervol. Okkervil River opent met het raadselachtige ‘Okkervil River R.I.P.’, het openingsnummer van de laatste langspeler ‘Away’. Er is geen sprake van afscheid nemen, er is niemand overleden en toch die titel met het afsluitende Rest In Peace. Het nummer krijgt een overtuigend rockende uitvoering. Okkervil River is al achttien jaren en langer de groep van Will Sheff. De zanger-gitarist schrijft de nummers en voert ook het personeelsbeleid. Tijdens de huidige tournee heeft hij een groep om zich heen verzameld, die elk nummer van Okkervil River naar een hoger muzikaal niveau tilt. ‘Call Yourself Renee’ volgt en krijgt tot enthousiasme van het publiek een dynamischer uitvoering dan bekend van de plaat.

Sheff vertelde in interviews dat hij met ‘Away’ een soloplaat wilde maken, maar merkte dat er vooral nummers voor Okkervil River uit de pen vloeiden. Met die wetenschap heeft hij zijn huidige band samengesteld. Het viertal begeleiders van Sheff heeft de kwaliteiten en ideeën om meer te doen dan de songs gemakzuchtig kopiëren. Na minder dan tien minuten is duidelijk dat gitarist Will Graefe een klasbak is die elk nummer naar zijn hand kan zetten en alleen maar parels van solo’s speelt. Sarah Pedinotti is niet alleen vocaal een welkome aanvulling op het wat monotone stemgeluid van Sheff, ook op de toetsen van de synthesizer en de piano zoekt ze het avontuur. En dan staat er nog een strakke ritmesectie! In ‘Mary On A Wave’ haalt Sheff de realiteit naar de Tolhuistuin. Hij legt uit niet trots te zijn op de Amerikaanse presidentskandidaten. Het nummer krijgt een venijnige, bijna boze uitvoering.

‘For Real’ is na meer dan vijf kwartier een rockend laatste nummer. Het publiek beloont de groep met een klaterend applaus en wil nog geen afscheid nemen. In een donkere zaal is Sheff bij de eerste toegift solo op gitaar te horen. Hij zet ‘The War Criminal Rises And Speaks’ in. De bezoekers zijn even in verwarring en vinden de zanger zingend en spelend achterin de zaal. ‘Days Spent Floating (In The Half Between)’ van ‘Away’ brengt de zaal in beweging en vervoering. Afsluiter is het pompende ‘So Come Back I’m Waiting’. Okkervil River en het publiek vinden elkaar in een passende en pakkende afsluiter van een heel goed concert. “De band was beter dan de bard,” merkt een volgende fan op, “maar de bard was zeker niet slecht.”

Joseph Arthur

Memorabel optreden Joseph Arthur.

4 november 2016.

Foto’s Peter Hageman.

Het licht in de Amstelkerk gaat uit, het publiek wordt stil. Op het podium een standaard, drie gitaren, wat gitaarkisten en een tafel met een laptop. Op het verhoogde houten vloertje staat een doek met wat tekenmateriaal. Joseph Arthur komt op met zonnebril, zijn begeleider slaat een pizzadoos open met daarop een setlist gekrabbeld en zet deze tegen een standaard.

Opener ‘You Keep Hanging On’ is een nummer van het eerder dit jaar verschenen album ‘The Family’. Na een gemompelde aankondiging zet Arthur ‘Toxic Angel’ in. Voor zijn voeten staat een kleine meegenomen studio, een ritmebox met wat knoppen. Hij trommelt een ritme op zijn gitaar, maakt een loop, ramt er wat akkoorden overheen, trapt met zijn in bergschoenen gestoken voeten op wat toetsen en een nieuw fundament voor het nummer is gemaakt. Het lukt Arthur niet om in een keer het goede ritme uit de box te laten klinken. Met nonchalant gemak begint hij opnieuw.

Joseph Arthur
Joseph Arthur

Door het rommelige karakter van de uitvoeringen van de nummers, het soms wat hoge tempo van de loops, het af en toe verwarde gitaarspel en de moeite die Arthur heeft met zijn teksten is en blijft het concert chaotisch. Elk nummer krijgt een rafelrand waar menig muzikant over zou struikelen. De Amerikaan komt er mee weg. Hij vraagt om water en drinkt in een teug een flesje leeg. “That’s very punkrock, it’s all about attitude” glimlacht hij en komt niet met excuses over een te lange middag in een coffeeshop. Joseph Arthur is in the church, he is on drugs.

josepharthur-bruin69
Joseph Arthur

Halverwege het concert, ‘Almost Blue’ klinkt uit de boxen, pakt Arthur zijn viltstiften. Rappend door de microfoon tekent hij een portret van een vrouw. Gemompel, gekras en de bezoekers kijken naar een doek dat vol wordt gekliederd. De scene is ontluisterend en van een grote schoonheid. Arthur stapt daarna onvast van het podium en neemt plaats achter een vleugel. Hij haast zich door vijf nummers. Voor het applaus zoekt hij op het scherm van zijn tablet al de tekst van het volgende nummer. ‘When Doves Cry’ is een mooi eerbetoon aan Prince. Met ‘Machines Of War’ doet hij ‘The Family’ even aan. Terug op het podium besluit hij wat nummers akoestisch te spelen en gaat op de planken zitten. Onvast, opnieuw in hoog tempo en zonder de ontregelende ritmebox speelt Arthur ruim tien minuten mooie Americana.

Joseph Arthur
Joseph Arthur

Tijdens het outro van het laatste nummer dondert alles in elkaar. Arthur staat te stampen op een gitaarkist. De microfoonstandaard valt, een gitaar dondert op de grond, het tafeltje voor de laptop schuift naar de rand van het podium en Arthur is net te laat om de val te voorkomen. Met twee gitaren in zijn hand is er het plotselinge einde van de set. De begeleider probeert tijdens het applaus te redden wat nog niet gevallen is. Arthur vindt de microfoon en maakt een grap over de assistent. “Hello, I’m Bob and I found your add at the supermarket.” Ze kunnen er smakelijk om lachen.

Joseph Arthur
Joseph Arthur

Direct daarna kondigt hij de toegift aan. ‘Speed Of Light’ krijgt een versie op elektrische gitaar, waarna ‘The Ballad Of Boogie Christ’ toepasselijk is in de kerk. Het is nog niet genoeg en ‘Walk On The Wild Side’ wordt ingezet. Het nummer van Lou Reed krijgt een mooie, akoestische uitvoering. Aan het einde van de song duikt Arthur nog eenmaal naar beneden, de studio in. Hij aarzelt, drukt op wat knoppen, ramt er een paar akkoorden uit, maar stopt en sluit het nummer rustig af. Terecht eindigt het laatste nummer niet in een chaotische apotheose. De avond is memorabel genoeg.

The Mulligan Brothers.

Paradiso, 30 oktober 2016.

Plezier en vakmanschap.

 

Op de trap voor Paradiso zitten vier meisjes. Van de portier krijgen ze te horen dat ze voor de experimentele hiphop van Death Grips de pont kunnen nemen naar Amsterdam Noord. Na de vraag wie The Mulligan Brothers zijn, schudt de medewerker van de Amsterdamse poptempel zijn hoofd. Voor het antwoord is een kaartje voor de bovenzaal “de snelste weg”.

The Mulligan Brothers (foto: PrickenPics)
The Mulligan Brothers (foto: PrickenPics)

Ruim vijf minuten voor het optreden staan The Mulligan Brothers al naast het podium. Ze maken een praatje met de mensen die voor in de zaal staan. Ze komen “net uit België”, hebben als ontbijt “een pizza” gegeten en, “jawel, zeker”, ze signeren na het optreden de CD’s. De zaal is bijna helemaal gevuld als het viertal het podium oploopt. Er is een vriendelijk applaus en So Are You wordt ingezet. Vanaf de eerste tonen is duidelijk dat The Mulligan Brothers een ingespeelde machine is. De Americana klinkt ontspannen en professioneel en wordt met aandacht en allure gespeeld. De close harmony is loepzuiver en zonder zichtbare inspanning. Er is plezier op het podium en dat slaat vanaf het eerste nummer over naar de fans in de zaal.

the-mulligan-brothers-3
The Mulligan Brothers (foto: PrickenPics)

The Mulligan Brothers zijn geen broers. Melody Duncan is een violiste, Ben Leininger is een bassist die samen met drummer Greg Deluca een stevig fundament voor de composities musiceert en zanger en gitarist Ross Newell is zo’n frontman waar de lol en de kwaliteit vanaf spat. Sensible Shoes is een nummer van het titelloze debuut van de formatie en Louise is een track van het vorig jaar verschenen Via Portland. Tot groot enthousiasme van de volgelopen zaal speelt de groep zo ongeveer alle nummers van de twee langspelers. For What It’s Worth van Buffalo Springfield is vlak voor het einde van het optreden een goed gekozen cover. Het is ook het enige nog ontbrekende element in het repertoire van de groep uit Mobile, Alabama en Baton Rouge, USA. The Mulligan Brothers hebben nog geen hit die massaal kan worden meegezongen. Als een van de twee toegiften is Dead Flowers van The Rolling Stones – opnieuw – een goed gekozen nummer. Het publiek helpt de groep maar wat graag met de tekst van Mick Jagger.

Na het optreden staan de groepsleden achter de tafel met merchandise. De stapels CD’s is in een vloek en een zucht verkocht. Met plezier signeren de groepsleden het eerste deel van de setlist. Natuurlijk zijn “Holland”, “Amsterdam” en ook het publiek “awesome”. Newell vertelt dat hij heeft genoten van de mensen in de zaal. Hij is verbaasd dat het optreden meer dan negentig minuten heeft geduurd. En ja, “we spelen met hart en ziel om de fans een fantastische middag te bezorgen”. Waarvan acte.

Met uitzondering van de setlist zijn de foto’s gemaakt tijdens Ramblin’ Roots Festival in TivoliVredenburg door PrickenPicks

Setlist

 

Reto Burrell – Side A & B

Kwaliteit klinkt bedrieglijk eenvoudig

Reto Burrell Side A & BDe Zwitserse troubadour Reto Burrell brengt met Side A & B zijn twaalfde solorelease uit. Voor het gemak heeft Burrell dit album in twee kanten gesplitst. Hij deelde niet alleen de muziek in, hij had gelijk een titel voor het schijfje. Op kant A staan zeven nummers die de Zwitser met een groep muzikanten opnam. Naast de hulp van bevriende musici is het toch vooral Burrell die de nummers vol speelt. Schrijven, uitvoeren en produceren, hij houdt de zaken graag in eigen handen. De nummers zijn uptempo, kunnen stuk voor stuk in een rokerige en naar goede whisky ruikende balzaal gespeeld worden. De muziek zal enthousiast onthaald worden door het meelevende en zingende publiek.

Uit opener ‘Shake it’:

“Fill it up till the glass is full

Then drink it out and start all over again”

Het leven is niet alleen maar voorspoed en geluk. Er is misère en tegenslag, maar Burrell pleit er voor vol van het leven te genieten. ‘But don’t forget to rattle and shake it.’

Het publiek heft het glas, applaudisseert en wacht op het volgende nummer. Zoals gezegd staan op Kant A de wat snellere nummers. ‘Chasing The Wind’ heeft een wapperende gitaarsolo en voor ‘Swimming In Stars’ zal het publiek uit de stoelen komen voor een dansje.

Op Kant B zijn de kleine nummers te vinden. Burrell laat zich spaarzaam begeleiden. Soms wat strijkers, op andere momenten is een stem op de achtergrond. Ook nu zeven nummers en ook in deze songs slaagt Burrell er in de aandacht van de luisteraar geen moment te verliezen. ‘Seize The Morning’ en ‘Sweet Lover’ zijn mooie komposities in een fraaie akoestische uitvoering. Alleen ‘You’re Still Alive’ is wat gewoontjes.

Bij Reto Burrell klinkt elk nummer bedrieglijk eenvoudig en gemakkelijk. De nummers verbazen niet door de grote originaliteit, ze passeren nergens de bermen van de bekende paden van de countryrock. Nee, elke song klinkt min of meer bekend en na lang nadenken is er geen naam die te binnen schiet. De beste oplossing is het nummer gewoon nog een keer beluisteren.

Met Side A & B heeft Burrell een lekker klinkende plaat gemaakt. De muziek die ‘gemakkelijk en lekker’ klinkt, vraagt terecht veel tijd. Dit twaalfde album van de Zwitser luistert heerlijk weg. (TOURBOmusic)

Douglas Greer, Baja Louisiana

douglas-greer-baja-louisiana

Douglas Greer debuteerde in 2006 met Just    A  Man. Juichende kritieken en goed      bezochte  optredens gingen hand in hand. De  Amerikaanse  bard scoorde aan de lopende      band prijzen en  was vooral in West Europa  een graag geziene gast  op festivals. Het heeft tien jaren geduurd voor  opvolger Baja Louisiana de schappen van de  winkels bereikt. Elf nummers heeft Greer  opgenomen onder de productionele leiding van Mark Hallman.
In Confession House Studio in Austin, Texas is er gewerkt aan de nummers, die opnieuw kleine soms alledaagse verhalen zijn. Greer verhaalt in zijn nummers over gebeurtenissen van de gewone burger. Het fijne van de nummers op Baja Louisiana is dat de nummers per draaibeurt details prijs geven. Daarnaast zijn de melodieën dermate verslavend dat het een must is de plaat vaak op te zetten.
Tekstueel staat de release vol pareltjes. Take My Mind Of Your Facebook Page is de hilarische conclusie van een stel geliefden die een punt achter de relatie hebben gezet. Het uptempo nummer is niet alleen goed voor een glimlach, na drie of vier keer draaien zit het liedje gebeiteld onder de hersenpan. In Out Of My Mind pakt Greer de luisteraar in de eerste seconden met een gedragen orgelsolo, Christmas In The Travis County Jail is een verhaal dat goed is voor een hoopvolle snik terwijl in afsluiter Dead Unicorns de gitaren in een bochtige melodie bijna ontsporen.
Baja Louisiana verdient podia. Greer zal op de podia iets meer buiten de voorgeschreven lijntjes musiceren en dat zal de nummers op deze release alleen maar goed doen. Na vele malen de release te hebben beluisterd is de laatste zin logisch. Het is te hopen dat de opvolger van het sterke Baja Louisiana geen tien jaren op zich zal laten wachten.
(Zilker Park Records)

KEVIN MORBY & JESS WILLIAMSON

Kevin Morby verwaarloost het publiek bij prima optreden.
29 augustus 2016, Bitterzoet Amsterdam
Beeld: Peter Hageman

In november verschijnt het debuutalbum van Jess Williamson [bovenste foto]. Bij haar eerste optreden in Nederland speelt de Texaanse nummers van twee verschenen ep’s en recent geschreven werk. De Amerikaanse staat alleen op het podium en beroert met haar stem de zaal. Ze begeleidt zichzelf op gitaar en neemt de tijd voor de verhalende nummers. ‘Why Bad’ is een nieuwe song, die meer dan vier minuten duurt en nauwelijks herhalingen kent. In nummers als ‘Blood Song’ en ‘See You’ is de schoonheid verstild. De composities van Williamson zijn geschikt voor een huiskamer of een intieme zaal als Bitterzoet. Williamson is in staat om als voorprogramma een klein halfuur boeiende muziek te spelen. Afwachten of dat ook lukt met een volledig album.

Kevin Morby [overige foto’s] en zijn band hebben twee nummers nodig om hun draai te vinden. Opener ‘Cut Me Down’ wordt wat aarzelend gespeeld en ‘Dorothy’ klinkt te luid en zonder nuance. In ‘Harlem River’, een nummer van Morby’s eerste sololangspeler, vindt de groep het goede geluid. Ruim zes minuten rockt de band swingend langs de oevers van deze rivier. De zaal is in beweging en de band komt op temperatuur. Morby en zijn drie begeleiders zetten ‘All of My Life’ in. Het plafond mag er af vanavond!

Morby is een drukbezet muzikant. Naast zijn werk met The Babies en Woods brengt hij sololangspelers uit. De releases staan vol met knap geschreven folkrock en americananummers. Lou Reed, Bob Dylan en Neil Young zijn gemakkelijke etiketten. Morby is een muzikant die met steeds betere liedjes zijn eigen weg zoekt. ‘Tiny Fires’ is zo’n zacht rockend nieuw nummer dat naadloos in de set past.

De Amerikaan heeft drummer Justin Sullivan, bassist Cyrus Gengras en gitariste Meg Duffy meegebracht. Visueel is er weinig te beleven op het podium. De vier muzikanten hebben een eigen plek en hoewel ze nauwelijks contact met elkaar hebben, vormen ze een prima muzikale machine. Sullivan is zo’n drummer die geen aandacht vraagt, maar elk nummer een solide fundament geeft. Gengras is een bescheiden muzikant die geen noot te veel speelt en daarmee het geluid de juiste lading geeft. Duffy excelleert in een aantal nummers, maar valt verder nauwelijks op. Het oog mag dan wat verwaarloosd worden, het oor wordt prima bediend. ‘I Have Been to the Mountain’ en ‘Singing Saw’, het titelnummer van de laatste langspeler, krijgen voortreffelijke uitvoeringen. Na vijfenveertig minuten speelt Morby solo ‘Black Flowers’, ‘Beautiful Stranger’ en ‘No Place to Fall’, een song van Townes van Zandt. Driemaal een prijsnummer met iets te lange pauzes voor het stemmen. ‘Parade’ en ‘The Ballad of Arlo Jones’ zijn de toegiften met de groep, mooie nummers om een goed concert af te sluiten. Het publiek wil nog geen afscheid nemen, maar de geluidsman zet de muziek in de zaal aan.

Morby krijgt met elk optreden meer mensen op de been. Kritiek op de wat lange stempauzes en de korte toegift is terecht en het logische advies om aan het einde nogmaals terug te komen voor drie of vier nummers is alleen maar een mooi compliment.

Trevor Sensor

De zoon van Bob Dylan en Johnny Rotten.

10 augustus 2016, Tolhuistuin, Amsterdam
Beeld: Peter Hageman

Voor het podium staan tachtig stoelen. Vijftien minuten voor het optreden zitten er zes mensen in de zaal. Iets later dan aangekondigd stapt Trevor Sensor het podium op. Zestig mensen krijgen een nerveus knikje. Een piano, twee gitaren en een microfoon staan tot zijn beschikking. Sensor heeft twee kleine flesjes bier meegenomen. Na opener ‘Another Night at Lamppost Lounge’ vertelt hij een flink deel van de middag te hebben gewandeld. ʺI spent my day walking and drinking beer.ʺ De Amerikaan heeft twee ep’s uitgebracht. Texas Girls and Jesus Christverscheen in maart 2015. Vlak voor de optredens in Europa kwam Starved Nights of Saturday Stars uit.

In een recensie van een optreden in thuisstad Sterling, Illinois schreef een journalist dat de zoon van Bob Dylan en Johnny Rotten op de planken was geklommen. De stem van Sensor klinkt als een kruising van de verhalende Amerikaan en de snerende Engelsman. Daarbij neemt Sensor de tijd voor zijn verhalen en stopt hij veel woorden in zijn teksten. Op het podium zijn dit sterke en aantrekkelijke punten. De stem van Sensor klinkt soms wat scherp, maar vooral helder en zuiver. De verhalen in de teksten gaan vaak over de zelfkant van het leven. Drank, drugs en mensen die vaak het nachtleven opzoeken om ervaringen op te doen, komen aan bod in de nummers. Sensor is pas tweeëntwintig jaren maar lijkt al langer mee te lopen.

De bard speelt americana, folk en country. Hij gooit de muziek in de blender die zijn persoonlijke belevenissen bevat. ‘Starved Nights of Saturday Stars’ is zo’n nummer over een persoonlijke belevenis. Alleen thuis op de avond voor Kerstmis en in de koelkast staan wat biertjes. Eenzaamheid is een geweldige emotie voor een persoonlijk nummer.

Voor ‘When Tammy Spoke to Martha’ neemt Sensor plaats achter de piano. Tijdens de studie blies hij stoom af in de kroeg met wat drank en andere verdovende middelen. De Amerikaan observeerde ook zijn medestudenten en deed stof op voor zijn liedjes.

Sensor is een sterk vertolker van zijn teksten, speelt heel redelijk gitaar en piano, maar mist nog wat ervaring op het podium. Hij klokt na elk nummer een flinke teug bier naar binnen en verschuilt zich wat in de alcohol. De spanning neemt wat af als ook de nummers op piano vlekkeloos lukken. Met ‘The Reaper Man’ en ‘Nothing Is Fair’ wordt een goed aftreden afgesloten. Een optreden in Düsseldorf wacht morgen, maar eerst wil hij nog wat praten bij de tafel met exemplaren van Starved Nights of Saturday Stars. Volledig ontspannen kletst hij honderduit. Hij is lyrisch over het Nederlandse publiek en is bijna verbaasd als een fan om een handtekening vraagt.

Trevor Sensor is een talentvolle, jonge muzikant, die zonder enige twijfel de ervaringen van deze tour door Europa in nieuwe liedjes zal gieten. Zijn debuutalbum is een release om naar uit te kijken.

FIDLAR

Losbollen laten temperatuur oplopen.

9 augustus 2016, Tolhuistuin, Amsterdam
Beeld: Joséphine Kurvers

‘Sabotage’, een nummer van Beastie Boys, zet de toon. Saboteren mag, saboteren moet vanavond! De vier muzikanten van FIDLAR hebben geen zekerheid, geen werk, geen plek om te slapen, geen opleiding en erger nog: het bierglas is leeg en de laatste sigaret is gebietst. Wat rest is een optreden in een onbekende zaal.

De bezoekers van de Tolhuistuin hebben met de laatste bij elkaar geschraapte centen een kaartje gekocht voor het concert. Vol verwachting kijken ze naar de chaos op het podium en de vier verdwaalde muzikanten die verbaasd de zaal in kijken. Het plastic glas is leeg en naar het podium gegooid. De moshpit ligt stil.

FIDLAR werd opgericht in 2009. De leden hadden wat mislukte baantjes achter de rug, maar konden door werk in een studio het hoofd boven water houden. Zac Carper was even verslaafd en kickte af. Elvis Kuehn en Carper vonden de tijd om nummers te schrijven en stopten deze vol met thema’s als verveling, bier, werkeloosheid, bier, meisjes en bier. Ze componeerden punkrock met voorspelbare teksten. De muziek die ze wilden maken was krachtig en simpel. Drummer Max Kuehn en bassist Brandon Schwartzel sloten aan. “Fuck it dog, life’s a risk“, een uitspraak die in de studio gebruikt werd, bleek als afkorting een prima naam en in 2012 stapte FIDLAR voor het eerst een podium op.

De eerste twintig seconden van het concert klinken rommelig. Alsof er vier muzikanten op het podium zijn geklommen die al te veel te lang werkeloos zijn en te weinig oefenen. Drummer Max Kuehn hakt dan de eerste klappen de zaal in, Schwartzel valt in en ‘Sabotage’ is een perfect openingsnummer en een goed gekozen cover. Na de eerste halve minuut zijn de vier mannen plotseling een band. De twee gitaristen raggen een fijne melodie in elk nummer en Zac Carper krijst de woorden de zaal in. De losbollen zijn prima muzikanten. FIDLAR is een groep met herkenbare thema’s en vooral heel veel ervaring op de podia. In elke zaal gaat de fik erin en op het festivalterrein gaat de zon schijnen als de groep speelt. In de Tolhuistuin is het warm en per nummer loopt de temperatuur op. De verdwaalde muzikanten vormen een goed geoliede machine.

Na ‘Sabotage’ zet Carper ‘Cheap Beer’ van debuut FIDLAR (2013) in en ligt hij na een couplet op de grond. Met een vette grijns komt hij overeind en speelt verder. Max Kuehn tikt tijdens het applaus af en ‘Drone’, een prijsnummer van TOO (2015) knalt door de zaal. In de eerste rijen is de moshpit een kolkende massa, vliegen hemdjes door de lucht en bereikt de temperatuur een recordhoogte.

Het applaus na afloop is ouderwets. Er wordt vooral hard geschreeuwd. “We want more! We want more!” Na ruim een minuut is de groep terug op het podium. Carper steekt twee vingers in de lucht als teken voor zijn kompanen. De groep speelt nog twee nummers en dan is het mooi geweest.

Met afsluiter ‘Wake Bake Skate’ schreeuwt FIDLAR met het publiek nog eenmaal de frustratie tegen het plafond. “I don’t have a job!” En dan is de kaars na slechts twee nummers en minder dan zes minuten toegift definitief uit en gaan de lichten aan. Buiten de zaal hangen enkele deelnemers van de moshpit uitgeput en tevreden in de banken.